StartpaginaSleutelbepaling BIBOB

De belangrijkste bepaling in de wet wordt gevormd door artikel 3. Hierin staat precies vermeld op welke gronden Uw aanvraag mag worden geweigerd of vergunning kan worden ingetrokken. Dit artikel zorgt ook voor de meeste ongelukken omdat zowel op bestuursniveau maar ook rechterlijk niveau wordt miskend dat de wetgever zeer strakke criteria heeft aangelegd en er geen enkele rimte is voor natte vingerwerk.

In veel bibob adviezen wordt geput uit infomratie uit allerhande politieregisters en tegenwoordig ook opvatting van BIBOB steunpunten. In haar wijsheid heeft de Raad van State uitgemaakt dat informatie uit registers voor zware criminaliteit in beginsel als betrouwbaar kan woren geacht. Er wordt niet over een nacht ijs gegaan alvorens die infomratie wordt opgenomen, aldus ons hoogste bestuursrechtcollege. Wie zelf figureert in een BIBOB-advies weet wel beter. Aan dergelijke informatie wordt wel de eis gesteld dat de informatie wordt bevestigd door andere concrete feiten en omstandigheden.

Opvallend is dat in de BIBOB-adviezen in veel gevallen zeer scherp aan de win wordt gevaren. Bestuurslijke boets worden ook als ernstig gevaar aangemerkt terwijl voor de wet BIBOB starrechtelijke feiten relevant zijn. Bekende voorbeelden hiervan zijn boetes in het kader van de WAV. Overtreding van de WAV levert in de meeste gevallen een bestuursrechtelijke sanctie op en is pas bij herhaling strafbaar. Een ander voorbeeld is dat familiebanden maar al te graag als zakelijk samenwerkingsverband worden aangemerkt hetgeen onjuist is.

Artikel 3

Artikel 3

1.   Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a.   uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b.   strafbare feiten te plegen.

 

2.   Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a.   feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b.   ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c.   de aard van de relatie en

d.   de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

 

3.   Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a.   feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b.   ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c.   de aard van de relatie en

d.   het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

 

4.   De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a.   hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b.   hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c.   een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

 

5.   De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a.   de mate van het gevaar en

b.   voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

 

6.   Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

7.   Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

Artikel 4

1.   Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 30, derde lid, wordt de weigering van de betrokkene, niet zijnde de partij aan wie een overheidsopdracht is gegund of de onderaannemer, om een formulier als bedoeld in artikel 30, eerste lid, volledig in te vullen, aangemerkt als ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

2.   Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien de betrokkene, niet zijnde de gegadigde, de partij aan wie een overheidsopdracht is gegund of de onderaannemer, weigert aanvullende gegevens te verschaffen in het geval, bedoeld in artikel 12, derde lid.