|
|
|
 |
 |
 |
 |
UITSPRAKEN |
 |
|
|
In een onlangs gewezen uitspraak heeft de afdeling bestuursrechtspraak uitgemaakt dat informatie uit politieregisters op zichzelf geen ernstig gevaar mag opleveren. Wij braken op deze site al een lans voor deze opvatting. Opvallend is dat het bureau dit in veel adviezen wel betoogde en bestuurder deze uitspraak aangrijpen om de grenzen van de wet BIBOB op te rekken. In het onderstaande geven we U een overzicht van de tot nu toe gewezen jurisprudentie in het kader van de wet BIBOB.
De meeste uitspraken hebben betrekking op een verzoek om een voorlopige voorziening. De belangrijkste bezwaren om tegen negatieve beschikkingen op basis van een BIBOB-advies te procederen zijn onder andere dat het gebruik van het BIBOB-instument te zwaar is, dus niet proportioneel en dat er geen aanleiding was om een BIBOB-advies aan te vragen of dat het ernstige gevaar in het advies niet voldoende was aangetoond. Ondanks deze bezwaren werd de beslissing van het bestuursorgaan in bijna alle gevallen in stand gehouden. Zoals al eerder werd vermeld heeft dit te maken met de marginale toetsing door de rechter en de ruime beoordelingsruimte van het bestuur.
Aanvragen van een advies In vier zaken waarin een advies was aangevraagd is aangevoerd dat het bestuursorgaan ten onrechte het Bureau had ingeschakeld. De gemeente beslist zelfstandig of een advies nodig is en of de aanvrager onderworpen moet worden aan het BIBOB-instument. De voorzieningenrechter overwoog dat de inzet van het instrumentarium overeenkomstig de gemeentelijke beleidslijn was. Van belang daarbij was dat de politie bij meerdere controles werd gehinderd en er diverse onregelmatigheden waren geconstateerd bij het door verzoekster gedreven muziekcafé. Hierdoor kan de gemeente in redelijkheid beslissen verzoekster de BIBOB-formulieren te sturen.
Een gelijke uitspraak gold in het geval een derde bezwaar maakte tegen het verlenen van een Wm-vergunning zonder dat een BIBOB-advies was aangevraagd. Hierbij liet de Afdeling het besluit, verlening van de vergunning, in stand. De afdeling overwoog dat het bestuur in redelijkheid het standpunt had kunnen innemen dat het enkele feit dat de vergunninghouder in het verleden op een ander perceel zonder de noodzakelijke vergunning activiteiten had ontplooid, het bestuursorgaan niet veplicht een BIBOB-advies aan te vragen voordat tot vergunningverlening kan worden overgegaan. Bij deze uitspraak speelden de feiten dat de geleegde overtreding met medewerking van de vergunninghouder inmiddels was beëindigd en dat er geen aanwijzingen bestonden dat er opnieuw overtredingen van de Wet milieubeheer zouden plaatsvinden een belangrijke rol.
Het vragen van het advies werd in drie gevallen uitdrukkelijk getoetst aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit maar was in alle gevallen gerechtvaardigd. Van belang hierbij is dat uit de informatie van de bronnen waar de gemeente zelf toegang toe had, niet bleek van een weigeringsgrond. Indien de gemeente het Bureau BIBOB inschakelt en dit bureau vervolgens wel informatie vindt die kan leiden tot een weigeringsgrond, dan is er alle reden voor een gerechtvaardige verdenking van zware, georganiseerde criminaliteit. De voorzieningenrechter concludeerde hierbij ten overvloede dat zelfs al wordt ten onrechte advies van het Bureau gevraagd, nergens is bepaald dat het advies dan buiten beschouwing moet worden gelaten. Indien uit het advies van ernstige bezwaren blijkt, kan volgens de voorzieningenrechter achteraf moeilijk worden volgehouden dat het advies ten onrechte is gevraagd.
Tussenconclusie Deze uitspraken geven een duidelijk beeld van de discretionaire ruimte van de gemeente. De gemeente heeft daarbij een grote beoordelingsruimte bij de beslissing het BIBOB-instrumentarium al dan niet in te zetten en al dan niet advies te vragen. Vervolgens toetst de rechter de besluiten van het bestuur slechts marginaal. Het verdient aanbeveling om beleid hieromtrent te ontwikkelen.
Relaties van de aanvrager Van belang is de vraag welke relaties kunnen worden meegewogen en welke door die relaties (vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten aan de verzoeker kunnen worden tegengeworpen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestuur terecht een zakelijk samenwerkingsverband tussen twee horecabedrijven had kunnen aannemen. Gevolg was dat de door het achterliggende horecabedrijf (vermoedelijk) gepleegde feiten aan de aanvrager van de vergunning werden toegerekend. Van belang bij dit oordeel was dat er sprake was van een (later ontbonden) pachtovereenkomst en daarna van een geldlening en een pandverlening. Ook in een andere zaak mocht het bestuur een zakelijk samenwerkingsverband aannemen, waardoor de door de broer van de aanvrager gepleegde feiten bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag konden worden betrokken. De rechtbank overwoog hierbij dat de broer het adres waarvoor de vergunning werd aangevraagd als correspondentieadres voor twee van zijn vennootschappen gebruikte. Voorts onderhield de aanvrager zakelijke contacten met een onderneming van zijn broer. Ook was een onderneming van de broer gevestigd in één van de panden van de aanvrager. Verder was de broer bevoegd om als plaatsvervanger op te treden van de aanvrager en had hij enkele malen namens ondernemingen van de aanvrager aangifte gedaan. Ook kan het een rol spelen of beide ondernemingen in dezelfde branche werkzaam zijn en daardoor de feitelijke mogelijkheden tot het onderhouden van een zakelijk samenwerkingsverband worden vergroot. De rechtbank oordeelde dat bij het aannemen van zulk samenwerkingsverband feitelijke omstandigheden bepalend zijn. In deze zaak betrof het twee ondernemingen in de raamprostitutiebranche. Bepalende omstandigheden waren dat verzoekster in het verleden zonder vergunning seksinrichtingen had geëxploiteerd in panden waarvoor juist aan de gelieerde vennootschap een vergunning was verleend. Ook deden de ondernemingen aankopen voor elkaar en hun schulden en vorderingen werden onderling met elkaar verrekend. Tot slot speelde een rol dat de aanvraagster een dochter was van de ‘derde’ en dat zij haar ouders bij zakelijke aangelegenheden had vertegenwoordigd. Deze uitspraak is inmiddels in hoger beroep door de Afdeling bevestigd.
Proportionaliteit Indien er is vastgesteld dat er een ernstig gevaar bestaat voor misbruik van de vergunning (mede) voor criminele doeleinden, moet worden vastgesteld of het gevaar zodanig ernstig is dat een weigering aangewezen is. Indien het advies van het Bureau BIBOB zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk concludent is en uit het advies blijkt dat er sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt voor criminele doeleinden, lijkt de rechter niet snel geneigd een weigering onzorgvuldig te achten.
Wat betreft de ernst van de feiten heeft de rechter tot nu toe in geen enkel geval de ernst van de feiten dusdanig gering geacht dat weigering of intrekking van de vergunning onevenredig moest worden geoordeeld dan wel dat ten onrechte gebruik was gemaakt van de wet BIBOB. Uit de rechtspraak blijkt dat het BIBOB-instrument wordt ingezet in het geval van (een vermoeden van) ernstige feiten dan wel een reeks van minder ernstige overtredingen, al dan niet in combinatie met elkaar. Het gaat vooral om (vermoedens) van strafbare feiten zoals witwassen, belastingfraude, drugshandel, valsheid in geschrift, deelname aan een criminele organisatie, herhaaldelijk plegen van bedreiging en afpersing en het (brand)veiligheidsvoorschriften. Het herhaaldelijk en structureel plegen van minder zware overtredingen wordt soms ook als ernstig aangemerkt. Er bestaat dan een reëel gevaar dat de vergunning in de toekomst ook gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen.
Wordt er geen gebruik gemaakt van een BIBOB-advies, dan toets de rechter grondiger of er sprake is van een ernstig gevaar in de zin van art. 3 Wet BIBOB. Het is dan van belang dat het bestuur haar besluit baseert op feiten en omstandigheden en niet op vermoedens en interpretaties. Voort moet het college er op wijzen welke mate van gevaar de genoemde omstandigheden opleveren en of intrekking van de vergunning daarmee evenredig is. In een andere zaak achtte de voorzieningenrechter dat intrekking van een vergunning, ook zonder een BIBOB-advies, wel gerechtvaardigd was. Van belang daarbij was dat op grond van een politierapport was komen vast te staan dat in een (ander) café, dat verzoekster voorheen exploiteerde, handel in drugs had plaatsgevonden. Verder lijkt een rol te hebben gespeeld dat de verzoekster het vragenformulier in het kader van de wet BIBOB (bewust) onjuist had ingevuld. Daarnaast heeft een rol gespeeld de omstandigheid dat de financier van de horeca-instelling waarvoor de vergunning was aangevraagd een verleden had van overtredingen van de Opiumwet, hij was ten tijde van de aanvraag verhuurder van een aantal panden die veelvuldig gerelateerd waren aan drugshandel en overlast en er hoefde geen zekerheid verschaft te worden voor de lening.
LJN: AU3932, Voorzieningenrechter Rechtbank Utrecht, SBR 06/1870 en 1871 Datum uitspraak 14-07-2006 Bestuur strekt de aan verzoeker verleende Drank- en Horecavergunning en de daaraan gekoppelde teraasvergunning en speelautomatenvergunning in, dan wel weigert deze omdat er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet BIBOB. Het bestuur heeft beleid vastgesteld voor verlening en intrekking van onder andere horecavergunningen op basis van de Wet BIBOB. In dit beleid is bepaald dat naast de bescheiden voor de Drank-en Horecavergunning tevens extra vragen in het kader van de Wet BIBOB worden gesteld. Deze vragen heeft verzoeker echter niet volledig beantwoord. De onduidelijkheden die ten aanzien van de financiering en zeggenschap van de onderneming werden hierdoor niet opgehelderd. Daarom heeft het college besloten om advies te vragen aan Bureau BIBOB. Doordat de gerezen twijfels, zo blijkt uit de stukken, gebaseerd zijn op concrete informatie van onder andere de politie en niet is gebleken van een beleidskeuze waarmee in strijd is gehandeld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerders in de hen ter beschikking staande gegevens voldoende aanleiding hebben kunnen zien om over te gaan tot het instellen van een onderzoek en verzoeker te onderwerpen aan de BIBOB-toets. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bestreden besluiten berusten op een discretionaire bevoegdheid, zodat de rechter slechts een marginale toetsing toekomt. De vraag is dan ook of verweerders in redelijkheid hebben kunnen besluiten de onderhavige vergunningen in te trekken dan wel te weigeren. De gronden waarop verweerder de vergunningen heeft ingetrokken dan wel geweigerd zijn: 1. artikel 3, eerste lid onder b, van de Wet BIBOB 2. artikel 4, tweede lid, juncto artikel 3, eerste lid, van de Wet BIBOB In zijn advies van 22 februari 2006 heeft Bureau BIBOb met betrekking tot de eerste intrekkingsgrond geconcludeerd dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Wat betreft de tweede intrekkingsgrond is het Bureau BIBOB tot de conclusie gekomen dat verzoeker de gevraagde aanvullende informatie met betrekking tot de financiering en de zeggenschap van de onderneming niet dan wel onvoldoende heeft verschaft hetgeen wordt aangemerkt als ernstig gevaar.
De conclusie dat er een ernstige mate van gevaar bestaat ligt ten grondslag aan het BIBOB-advies waarin naar voren is gekomen dat er een ernstig vermoeden bestaat dat verzoeker in persoon, dan wel zijn boekhouder zich schuldig hebben gemaakt aan belastingfraude. Van de boekhouder staat vast dat hij in het jaar 2000 is veroordeeld wegens valsheid in geschrifte en het opzettelijk onjuist doen van belastingaangifte. Gedurende de periode dat hij deze strafbare feiten pleegde was de boekhouder werkzaam voor verzoeker en dat is hij nog steeds. Uit dit onderzoek is tevens gebleken dat de huidige wijze van boekhouden, mede gelet op de omstandigheid dat stelselmatig onjuist aangifte gedaan wordt bij de belastingdienst, een sterke gelijkenis vertoont met de handelwijze van de boekhouder in het verleden. Gelet op de aard van de relatie tussen verzoeker en de boekhouder en het soort strafbare feiten hebben verweerders de bestreden besluiten, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in redelijkheid op de conclusie uit het BIBOB-avies kunnen baseren. Ter zitting heeft het bestuur toegelicht dat het bestaan van geruchten voldoende aanleiding vormt om tot onderzoek over te gaan en dat de Wet BIBOB daartoe de ruimte biedt.
LJN: BA7496, Rechtbank Dordrecht, AWB 07/155 Datum uitspraak: 11-05-2007 De rechter acht het beroep van de verzoeker in deze zaak gegrond en vernietigd het besluit van het bestuur. De reden hiervoor is dat de rechtbank het standpunt van het Bureau BIBOB onjuist acht. Dit standpunt houdt in dat om te concluderen tot ernstig gevaar het niet noodzakelijk of relevant is dat ten aanzien van de in de registraties vermelde feiten opsporingsonderzoek of strafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden. Gelet op de MvT bij art. 3,2,a, Wet BIBOB moet er sprake zijn van een ernstig vermoeden van ernstig gevaar als bedoeld in art. 3 lid 1 a Wet BIBOB. De enkele door het Bureau BIBOB als betrouwbaar gekwalificeerde registratie in het register zware criminaliteit overtuigt hier niet van. Een dergelijke registratie kan een belangrijke onderbouwing vormen voor het oordeel over de ernst van een vermoeden van ernstig gevaar, maar niet dan in relatie tot veroordelingen of transacties dan wel opsporings- en vervolgingsacties die in hetzelfde vlak liggen als de feiten volgens de registratie. Gelet op de MvT bij art. 3,4, c Wet BIBOb ziet deze bepaling op een samenwerkingsverband tussen de aanvrager van de vergunning met een persoon met justitiële of politiële antecedenten, waarbij het samenwerkingsverband als zodanig voordeel kan ontlenen aan de toekenning van de vergunning. De rechtbank acht in deze zaak het samenwerkingsverband tussen aanvrager en de derde onvoldoende aannemelijk. Ook hier geldt dat die samenwerking in hoofdzaak steunt op een door het Bureau BIBOB als betrouwbaar gekwalificeerde registratie in het register zware criminaliteit, waarbij geen inzage bestaat in de onderliggende broninformatie en de op basis van deze informatie gegeven kwalificatie niet kan worden geverifieerd, terwijl de overigens genoemde feiten het bestaan van een samenwerking ten tijde van de vergunningaanvragen onvoldoende aannemelijk maken. Beide feiten die het bestuur als hoofdzakelijk redengevend ten grondslag heeft gelegd aan hun conclusie dat er sprake is van ernstig gevaar kunnen, zelfstandig noch in samenhang bezien overtuigen van een ernstig vermoeden van ernstig gevaar. De overige bevindingen die verweerders aan hun conclusie van ernstig gevaar ten grondslag hebben gelegd kunnen volgens verweerders zelf niet zelfstandig overtuigen van een ernstig vermoeden van ernstig gevaar. Onder die omstandigheden kan het in samenhang bezien van alle aangevoerde feiten en omstandigheden evenmin voldoende overtuigen van ernstig gevaar. Hierdoor komt de rechtbank tot de conclusie dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd.
Het bestuur heeft de exploitatievergunning van een coffeshop ingetrokken, aangezien er sprake is van een ernstige mate van gevaar dat verzoeker de exploitatievergunning gebruikt of zal gaan gebruiken voor het plegen van strafbare feiten. Het bestuur siganaleerde in het BIBOB-advies ten aanzien van de mate van gevaar de volgende feiten en omstandigheden: a. Als feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, noemt het Bureau BIBOB twee veroordelingen van eiser [eiser 1] wegens wapenbezit. Als feiten en omstandigheden die dit doen vermoeden signaleren verweerders in het BIBOB-advies van 17 mei 2006, kort weergegeven: b. de inschrijving van eisers in het register zware criminaliteit (hierna ook: de registratie). Zij houden zich bezig met handel in verdovende middelen, te weten harddrugs. [naam] is in het register opgenomen als contact van eisers; c. eisers zijn in de periode 2002 tot 2005 vele malen gezien op een kruising in Dordrecht. Op deze kruising was het verboden aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen gezien het openlijk gebruik van en/of handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet;[adres] te Dordrecht staat bekend als een drugspand. Er zou een wietplantage zijn ingericht in het pand;[adres] is aan de achterzijde geheel afgeplakt met zwart plastic. Er is sprake van potenti?le aanwezigheid van een hennepkwekerij; f. uit een proces-verbaal van de politie blijkt dat de heer [naam] in een auto is aangehouden. Bij deze controle werden in de achterbak drie vuilniszakken met (delen van) hennepplanten aangetroffen; g. uit informatie van de belastingdienst blijkt dat eisers geen aangifte doen van inkomsten uit verhuur noch dat er sprake is van bezittingen; h. eiser [eiser 2] kwam in de periode voor mei 1999 wekelijks of twee keer per week een bedrag omwisselen van 10.000 gulden van kleine coupures naar grote coupures; i. eiser [eiser 2] heeft in 2004 een personenauto gekocht, terwijl hij in die periode werkloos was; j. Tenslotte signaleren verweerders dat volgens het BIBOB-advies in dit kader is aangegeven dat eisers onvoldoende/onvolledige informatie hebben verschaft voor het onderzoek ten behoeve van het advies. Naar aanleiding van het nader advies van het Bureau BIBOB van 6 december 2006 constateren verweerders dat de feiten en omstandigheden als hierboven genoemd onder d (gedeeltelijk), e, g, h (gedeeltelijk), i en j niet meer relevant zijn en niet meer als onderbouwing voor het bestreden besluit van belang zijn.
De nog resterende redengevende feiten en omstandigheden leiden naar de opvatting van verweerders aanvullend aan elkaar tot de conclusie dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet BIBOB. Zij wijzen daartoe op het volgende: 1. Eisers zijn opgenomen in het register zware criminaliteit, waarin staat vermeld dat zij zich bezig houden met handel in verdovende middelen, namelijk harddrugs. Deze vermelding zou blijkens een politieverklaring van 8 augustus 2006 zijn gebaseerd op informatie van betrouwbare informanten. Verweerders blijven van mening dat de inschrijving in het register een relevant feit is dat redelijkerwijs doet vermoeden dat eisers in relatie staan tot strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de wet BIBOB. Verweerders zien geen reden om te betwijfelen dat Bureau BIBOB terecht tot de conclusie is gekomen dat hier sprake is van een ernstig vermoeden (artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de wet BIBOB). In het kader van het reguliere onderzoek heeft het bestuur een rapport ontvangen van de politie Zuid-Holland-Zuid van 6 december 2005. Volgens dit rapport zijn eisers veelvuldig waargenomen op een bekende drugsverhandelplaats en wordt verweerders aanbevolen om nader advies bij Bureau BIBOB over eisers in te winnen. Voorts bleek er sprake te zijn van een bij verweerders niet als gangbaar bekend staande wijze van financieren en van de verbouwing en de inventaris ten behoeve van de beoogde horeca-onderneming. Deze indicaties konden nader onderzoek rechtvaardigen.
In het kader van het nader onderzoek hebben eisers verklaard dat de waarnemingen in voormeld politierapport moeten worden verklaard uit de omstandigheid dat zij in de buurt van die drugsverhandelplaats hun woning hebben en dat er geen concrete strafbare feiten zijn waargenomen. Deze kanttekeningen bij het politierapport ontnemen daaraan niet hun waarde als indicatie voor het vragen van het BIBOB-advies. Dat geldt gelijkelijk voor de informatie van eisers over de financiering van het pand uit inkomsten uit verhuur van een niet onaanzienlijk aantal aan hen toebehorende andere panden, die zelf eveneens uit deze verhuurinkomsten worden gefinancierd. Ook de informatie daarover van de Rabobank is niet zodanig dat verweerders daaraan doorslaggevende betekenis hadden behoren toe te kennen, nu het een feit van algemene bekendheid is dat met drugshandel grote sommen geld kunnen worden verkregen. Verweerders konden daarom de vermoedens van de politie dat mogelijk uit nader onderzoek strafbare feiten in relatie tot drugshandel zouden blijken in combinatie met, mede in verhouding tot de inkomstenbronnen waarover eisers hebben verklaard te beschikken, de niet onaanzienlijke hoeveelheid middelen en bezittingen van eisers, in dit geval als indicaties aanmerken dat niet was uitgesloten dat gelden uit drugshandel werden verkregen die zouden worden ingezet bij de exploitatie van de op te zetten horeca-onderneming.
Gelet op bovenstaande omstandigheden mocht het bestuur in redelijkheid overgaan tot het vragen van een advies bij het Bureau BIBOB. Echter, de rechtbank acht het BIBOB-advies in deze zaak onjuist. Het is een gegeven dat het Bureau BIBOB kan putten uit bronnen en gegevens die onder meer ook, bijvoorbeeld met het oog op de goede uitvoering van de politietaak of gewichtige belangen van derden, niet mogen worden bekendgemaakt aan de persoon waarop zij betrekking hebben en dat bij het Bureau BIBOB het verzamelen en waarderen van deze gegevens is neergelegd. Uit dit gegeven vloeit niet voort dat reeds de enkele door het Bureau BIBOB als betrouwbaar gekwalificeerde registratie in het register zware criminaliteit voldoende overtuigt van een ernstig vermoeden van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet BIBOB. Een dergelijke registratie kan een belangrijke onderbouwing vormen voor het oordeel over de ernst van een vermoeden van ernstig gevaar, maar niet dan in relatie tot veroordelingen of transacties dan wel opsporings- en vervolgingsacties die in hetzelfde vlak liggen als de feiten volgens de registratie. Nu er in de aanleiding(en) van de opneming van eisers als subjecten in het register geen inzicht bestaat en niet is gebleken van daarmee samenhangende transacties, opsporings- of vervolgingsacties, vormt de registratie van eisers in het register zware criminaliteit een onvoldoende concreet en overtuigend feit voor een ernstig vermoeden van ernstig gevaar. Daaraan kan voormelde politieverklaring van 6 augustus 2006 niet afdoen.
LJN: AV6813, Voorzieningenrechter Rechtbank Assen, 05/1265 Datum uitspraak: 21-12-2005 Ook in deze zaak vernietigt de voorzieningenrechter het bestreden besluit tot intrekking van de exploitatievergunning van een coffeeshop. Grondslag voor deze intrekking was dat er volgens het BIBOB-advies sprake was van een ernstige mate van gevaar dat verzoeker de exploitatievergunning gebruikt of zal gaan gebruiken voor het plegen van strafbare feiten. Hierbij is van belang dat, zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting op de Wet Bibob, het Bureau Bibob adviseur is in de zin van artikel 3:9 van de Awb. In het licht hiervan heeft verweerder zich er bij het nemen van het besluit dan ook van moeten vergewissen dat het onderzoek naar de feiten en gedragingen zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het advies inhoudelijk concludent is; dat wil zeggen dat de feiten de conclusies kunnen dragen. De discussie spitst zich in het onderhavige geval primair toe op de vraag of het Bibob-advies met betrekking tot de inmiddels ingetrokken aanvraag om exploitatievergunning voor Rookhuis [coffeeshop 2] ook kan worden gebruikt in het kader van de vraag of tot intrekking van de exploitatievergunning voor coffeeshop (coffeeshop 1) moet worden overgegaan. Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. Het bestuur was van mening dat het in het kader van de aanvraag om een exploitatievergunning voor Rookhuis (coffeeshop 2) afgegeven advies mede kan worden gebruikt in het kader van de beoordeling of de exploitatievergunning voor coffeeshop (coffeeshop 1) moet worden ingetrokken. Alhoewel de voorzieningenrechter onderkent dat veel van de in het voornoemde advies opgenomen feiten (eveneens) betrekking hebben op coffeeshop (coffeeshop 1), maakt dit naar zijn oordeel niet dat verweerder de daarin neergelegde conclusie onverkort van toepassing kan achten op het bedrijf en de persoon van verzoeker, reeds vanwege het feit dat het voornoemde advies niet is toegesneden op coffeeshop (coffeeshop 1). Voorts kan in dit verband niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de aangevraagde vergunning voor het Rookhuis [coffeeshop 2) is ingetrokken, zodat er van een verwevenheid tussen dit bedrijf en coffeeshop (coffeeshop 1) van verzoeker geen sprake meer is. Nu er geen sprake is van de voornoemde verwevenheid berust het voornoemde advies op een onvolledige feitelijke grondslag en had verweerder ook om deze reden dit advies niet onverkort aan het thans bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. Bij vorenstaande wijst de voorzieningenrechter er volledigheidshalve ook nog op dat de coffeeshop wordt geëxploiteerd door verzoeker en niet door zijn broer die voornemens was tot oprichting van meergenoemd Rookhuis (coffeeshop 2) en ten aanzien van wie het advies is opgesteld. Daarbij hebben de (strafbare) feiten en gedragingen beschreven in het advies meer betrekking op de broers van verzoeker dan op verzoeker zelf. Voorts is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het onderhavige geval onvoldoende gemotiveerd dat de in het Bibob-advies opgenomen politiemutaties duidelijk maken dat de omschreven gedragingen hebben plaatsgevonden en ook aan verzoeker kunnen worden toegerekend.
LJN: BA1114, Rechtbank Assen, 06/1300 GEMWT Datum uitspraak: 09-03-2007 Bij de voorgaande uitspraak van 21 december 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen overwogen dat verweerder zich bij de intrekking van eisers vergunning niet (zonder meer) kan baseren op dit BIBOB-advies, maar om een aanvullend advies dan wel een afzonderlijk, nieuw BIBOB-advies diende te verzoeken. Deze uitspraak vormde voor verweerder aanleiding om het Bureau BIBOB ter zake van de exploitatievergunning van eiser om een afzonderlijk advies te vragen. Gelet op deze gang van zaken en hetgeen verweerder daaromtrent ter toelichting heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat verweerder in dit geval heeft gehandeld in strijd met de uitgangspunten van voornoemde beleidslijn. Hoewel uit de gang van zaken de voornoemde drie stadia niet nauwkeurig kunnen worden onderscheiden, is de rechtbank van oordeel dat het eerstgenoemde BIBOB-advies voldoende indicaties bevatte om ter zake van de exploitatievergunning van eiser tot het aanvragen van een nieuw BIBOB-advies over te gaan. Zo kwamen uit dit advies diverse strafbare feiten naar voren waarvoor eiser veroordeeld is, dan wel waarmee hij persoonlijk en/of coffeeshop Meram in verband werden gebracht. De rechtbank stelt voorop dat zij in het kader van de beantwoording van de vraag of zich ernstig gevaar voordoet, vol moeten toetsen of het bestuursorgaan terecht het standpunt heeft ingenomen dat de door het Bureau BIBOB vastgestelde feiten de inhoud van het advies kunnen dragen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit hetgeen uit het BIBOB-advies naar voren komt, heeft kunnen concluderen dat sprake is van een samenwerkingsverband tussen eiser en zijn broers, broer 1, broer 2 en broer 3 K. Uit het advies blijkt dat eiser en zijn broers allen in dezelfde branche werkzaam zijn en in relatie staan (of gestaan hebben) tot coffeeshop Meram. Zo komt uit het BIBOB-advies naar voren en door eiser is dat ook niet ontkend, dat broer 1 bedrijfsleider is van coffeeshop Meram en dat ook broer 2 en broer 3 activiteiten hebben ontplooid ten behoeve van de exploitatie van de coffeeshop. Voorts komt uit het advies naar voren dat broer 2 frequent heeft gehandeld dan wel in het bezit is geweest van (soft)drugs. Ter zitting heeft eiser bovendien bevestigd dat hij teneinde de beschikking te hebben over de voor de exploitatie van zijn coffeeshop benodigde softdrugs, deze meerdere malen heeft gekocht van zijn broer 2. Uit het advies blijkt verder dat de broers meerdere malen bedrijfspanden onderling hebben uitgewisseld, en dat een door de ene broer ge?xploiteerd (horeca)bedrijf op naam van een ander staat. Ter illustratie wijst de rechtbank op de door eiser niet bestreden vaststelling in het advies dat broer 2 (mede)eigenaar is van meerdere horecapanden en eetgelegenheden in Assen en dat deze panden/eetgelegenheden op naam van eiser staan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voorts terecht de tussen eiser en zijn broers bestaande familierelatie heeft kunnen laten meewegen bij zijn conclusie dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband.
Uit het BIBOB-advies komen ter zake van eiser en zijn broers onder meer de volgende, door eiser niet bestreden, strafbare feiten naar voren: - eiser is op 25 november 2003 en broer 2 is op 20 maart 2003 onherroepelijk veroordeeld wegens het aanwezig hebben van 22,45 kilo hennep en wegens de verkoop van softdrugs aan meerderjarigen vanuit coffeeshop Meram; - broer 2 is op 26 maart 2001 onherroepelijk veroordeeld wegens het bezit van 100 gram softdrugs; - broer 2 is op 12 november 2001 onherroepelijk veroordeeld wegens het in bezit hebben van 589 wiet en 113 gram hasj alsmede voor vuurwapenbezit; - broer 1 is op 21 december 2000 onherroepelijk veroordeeld wegens het houden van hennepplanten in zijn woning; - broer 1 is op 11 juli 2002 onherroepelijk veroordeeld wegens mishandeling; - broer 3 is op 1 april 2005 onherroepelijk veroordeeld wegens het in bezit hebben van 1665 gram softdrugs; en - broer 3 is op 17 januari 2006 door de rechtbank veroordeeld wegens afpersing.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met name gezien de aard van voornoemde strafbare feiten en de aard van het tussen eiser en zijn broers bestaande zakelijke samenwerkingsverband, reeds op basis van de hier voren genoemde -door eiser niet bestreden- strafbare feiten heeft kunnen concluderen dat sprake is van een ernstig gevaar dat de aan eiser verleende exploitatievergunning (mede) wordt en/of zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Gelet hierop behoefde er naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden voor verweerder geen aanleiding te bestaan voor het vragen van een nader advies aan het Bureau BIBOB aangaande de betrouwbaarheid en relevantie van de hier voren bedoelde informatiec.q. overlegging door het Bureau van de zogeheten broninformatie.
LJN: BB3818, Raad van State, 200701936/1 Datum Uitspraak: 19-09-2007 Vervolgens is er tegen de voorgaande uitspraak van de rechtbank Assen van 9 maart 2007, zaak no. 06/1300 hoger beroep ingesteld.
De rechtbank heeft, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, overwogen dat de burgemeester uit hetgeen in het BIBOB-advies naar voren komt heeft kunnen concluderen dat sprake is van een samenwerkingsverband tussen appellant en zijn drie broers, dat daarom naast de door appellant gepleegde strafbare feiten de door zijn broers gepleegde strafbare feiten door de burgemeester mogen worden betrokken bij de besluitvorming, en dat de burgemeester op grond van een achttal veroordelingen voor strafbare feiten (waarvan zes onherroepelijk) die in het BIBOB-advies staan vermeld, gelet op de aard van die feiten en het zakelijk samenwerkingsverband tussen appellant en zijn broers, heeft kunnen concluderen dat sprake is van een ernstig gevaar dat appellant de exploitatievergunning voor de coffeeshop (mede) gebruikt en/of zal gebruiken om strafbare feiten te plegen.
De door de rechtbank bij haar oordeel in aanmerking genomen strafbare feiten hebben betrekking op Opiumwetdelicten, vuurwapenbezit, mishandeling en afpersing. Gelet op de aard van deze overtredingen en op de context waarin deze blijkens de overige informatie in het besluit van 15 augustus 2006 en het BIBOB-advies zijn gepleegd, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de burgemeester heeft kunnen concluderen dat sprake is van een ernstig gevaar dat de aan appellant verleende exploitatievergunning (mede) wordt en/of zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Dat het, naar appellant stelt, noodzakelijk is om strafbare feiten te plegen om softdrugs te kunnen verkopen in de coffeeshop leidt niet tot een ander oordeel omdat het merendeel van de in aanmerking genomen veroordelingen betrekking heeft op handelingen die vanwege hun aard of omvang niet onder enig gedoogbeleid vallen.
Het betoog van appellant dat het samenwerkingsverband tussen hem en zijn broers niet enkel kan worden vastgesteld op basis van de door de rechtbank in aanmerking genomen veroordelingen berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen blijkt uit het BIBOB-advies dat appellant en zijn broers allen in dezelfde branche werkzaam zijn en in relatie staan of hebben gestaan tot de coffeeshop. Zo is een van de broers bedrijfsleider van de coffeeshop, heeft een andere in 2002 loon ontvangen van de coffeeshop en werkte hij in de coffeeshop van 1 december 2004 tot 31 januari 2005, en was de derde broer van 1996 tot 1999 en in 2001 in dienst van de coffeeshop. Ook heeft deze broer softdrugs aan de coffeeshop geleverd. Gelet hierop en in aanmerking genomen wat uit het BIBOB-advies blijkt over betrokkenheid van appellant en/of zijn broers bij de eigendom en de bedrijfsvoering van een aantal bedrijven waar (soft)drugs worden verkocht, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester heeft kunnen concluderen dat er sprake is van een samenwerkingsverband tussen appellant en zijn broers.
Appellant bestrijdt verder het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat de burgemeester de Algemene commissie bezwaarschriften inzage heeft gegeven in het BIBOB-advies niet tot de conclusie leidt dat de beslissing op bezwaar onrechtmatig is.
Het standpunt van de burgemeester dat uit de omstandigheid dat tegen een besluit dat is gebaseerd op een BIBOB-advies bezwaar en beroep mogelijk is, volgt dat zo’n advies ingezien dient te kunnen worden door een bezwaaradviescommissie kan derhalve gelet op dit gesloten wettelijk systeem niet worden gevolgd. Daarbij wijst de Afdeling er op, dat geen sprake is van wettelijk verplichte advisering. Een recht op inzage voor bezwaaradviescommissies valt evenmin af te leiden uit de passages in de wetsgeschiedenis waarin wordt vermeld dat het mogelijk is tegen een besluit als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB bezwaar te maken, zoals de passages op pagina 38 van de Memorie van Toelichting en op pagina 1578 van de Handelingen (Handelingen 2001-2002, nr. 32, Eerste Kamer), waar de burgemeester zich op beroept. Van een inzagerecht voor bezwaaradviescommissies is daar immers geen sprake. Voorts kan, anders dan door de burgemeester is gesteld, uit de omstandigheid dat in de Wet BIBOB onderscheid wordt gemaakt tussen het doorgeven van gegevens en het bieden van inzage in een BIBOB-advies niet worden afgeleid dat inzage kan worden geboden aan een bezwaaradviescommissie zonder dat daarvoor expliciet een basis in de wet is opgenomen.
De conclusie is dat de Afdeling, mede gelet op de stellige bewoordingen over het gesloten verstrekkingenregime en de geheimhoudingsplicht in de wetsgeschiedenis, geen vrijheid ziet om te oordelen dat de Algemene commissie bezwaarschriften gerechtigd was tot inzage in het BIBOB-advies. Naar aanleiding van de stelling van de burgemeester dat een bezwaaradviescommissie die geen inzage heeft in een BIBOB-advies in haar werkzaamheden wordt belemmerd, overweegt de Afdeling dat het in het licht van het voorgaande aan de wetgever is om te beslissen of dit een onwenselijke situatie is waarin middels een wetswijziging verandering moet worden gebracht. Het betoog van appellant slaagt. Hierdoor is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
Zoals de rechtbank echter terecht heeft overwogen doet de omstandigheid dat de Algemene commissie bezwaarschriften inzage heeft gekregen in het BIBOB-advies op zichzelf niet af aan de inhoud en de rechtmatigheid van dat advies en de daarin opgenomen bewijsmiddelen. Hierdoor wordt het besluit wel vernietigd, maar de rechtsgevolgen worden in stand gelaten.
LJN:BA9358, Rechtbank Amsterdam, AWB 07/2520 In deze zaak is er sprake van een ruime overschrijding van deze beslistermijn. In het gerechtvaardigde belang van verzoekster bij een vooraf vast te stellen beslistermijn op haar aanvraag is zowel in de APV als in de Wet Bibob voorzien door een wettelijke beslistermijn vast te stellen, die in het onderhavige geval zestien weken bedraagt. Tevens is met de Wet Bibob en de daarin opgenomen verlenging van de beslistermijn op grond van de APV, voorzien in het gerechtvaardige belang van verweerder bij de mogelijkheid van onderzoek betreffende de aanvrager van een exploitatievergunning in verband met de handhaving van de openbare orde. Verweerders belang bij handhaving van de openbare orde kan naar het voorlopig oordeel van de rechter evenwel er niet toe leiden dat verzoekster, als aanvrager van een exploitatievergunning, zich op voorhand moet neerleggen bij een ruime overschrijding van de geldende beslistermijn, waarvan de oorzaak overigens niet alleen is gelegen bij het adviserende Bureau Bibob maar ook bij verweerder zelf door pas zes weken na ontvangst op 13 januari 2007 van de ontbrekende gegevens, om advies te vragen. Dat verweerder er aan hecht om goed gemotiveerd te kunnen beslissen, kan bij een termijnoverschrijding als in het onderhavige geval evenmin opwegen tegen het belang van verzoekster bij besluit op haar aanvraag binnen afzienbare termijn.
LJN: AX8291, Voorziengenrechter Rechtbank Amsterdam, AWB 06/2259HOREC Verweerder is van mening dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Deze mening wordt gebaseerd op het BIBOB-advies, dat is gebaseerd op een combinatie van informatie uit verschillende bronnen, waaronder CIE-informatie en het rapport van Fijnaut/Bovenkerk, justitiële documentatie en informatie van de Kamer van Koophandel. Uit het BIBOB-advies leidt verweerder af dat verzoekster in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot [zakenpartner 1] (hierna: [zakenpartner 1]) enerzijds en . [zakenpartner 2] (hierna: [zakenpartner 2]) anderzijds, gelet op de verwevenheid van de bedrijven van [zakenpartner 1] en zijn broer met verzoekster enerzijds en [zakenpartner 2] anderzijds, zoals blijkend uit het BIBOB-advies. Met betrekking tot de eerste bestaat het vermoeden dat hij zich bezighoudt met grootschalige handel in verdovende middelen en gelden witwast. Dit als ?redelijk ernstig? gekwalificeerd vermoeden is gebaseerd op een rapport van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van de politie Amsterdam-Amstelland, dat informatie bevat uit de jaren 2000-2003, in welke periode meerdere informanten zich bij de politie hebben gemeld met deze informatie. De informatie wordt door de politie als zodanig betrouwbaar beoordeeld, dat deze is doorgespeeld aan het Bureau. Ook is deze ter goedkeuring voorgelegd aan de officier van justitie. Aan de ernst van het vermoeden wordt verder bijgedragen door het feit dat [zakenpartner 1] in 1999 is veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf voor onder andere handel in softdrugs naar Zwitserland in de periode 1990-1994. Voorts speelt de ondoorzichtige bedrijvenstructuur van de bedrijven waarin [zakenpartner 1] een zakelijk belang heeft, aldus verweerder, een rol. Met betrekking tot [zakenpartner 2] is sprake van een als ernstig gekwalificeerd vermoeden van overtreding van de Opiumwet. Uit een rechtshulpverzoek van Itali? is beschreven dat [zakenpartner 2] en haar man ervan worden verdacht leveranciers te zijn van zowel hard- als softdrugs, welke verdenking is gebaseerd op onder meer verklaringen van verdachten, afgeluisterde telefoongesprekken en bankonderzoeken. [zakenpartner 2] heeft ? 100.000,- betaald aan de Italiaanse justitie in het kader van een schikking om verdere strafvervolging te voorkomen. Zij heeft verder een melding van een verdachte ongebruikelijke transactie in het kader van de Wet MOT op haar naam staan, aldus verweerder.
Met betrekking tot de door de CIE aan het Bureau BIBOB hierover verstrekte informatie heeft de rechter geconstateerd dat deze afkomstig is van niet nader genoemde informanten en dat geenszins duidelijk is (geworden) op welke concrete feiten en omstandigheden die informanten zich beroepen. Voorts blijkt uit de memorie van toelichting bij artikel 3 van de Wet BIBOB dat niet alle feiten en omstandigheden even zwaarwegend zijn. Bovendien is ten aanzien van gegevens uit politieregisters in de memorie van toelichting in paragraaf 3.3.1. aangegeven dat rechtstreekse verstrekking van politiële gegevens niet wenselijk is omdat de gegevens in het politieregister niet altijd betrouwbaar zijn. Verder heeft de rechter geconstateerd dat niet is gebleken dat de informatie van de informanten heeft geleid tot enige strafrechtelijke vervolging of het starten van een gerechtelijk vooronderzoek. Met de door verweerder ter zitting aangevoerde omstandigheid dat volgens informatie van het Bureau BIBOB gegevens pas worden opgenomen in politiële registers indien er een redelijk vermoeden voor het begaan van strafbare feiten bestaat, wordt naar het oordeel van de rechter nog niet aannemelijk dat in het onderhavige geval het juiste gewicht is toegekend aan de verklaringen van de informanten. De omstandigheid dat de CIE-rapportage aan een officier van justitie is voorgelegd impliceert naar het oordeel van de rechter nog niet dat de officier van justitie de informatie op betrouwbaarheid heeft getoetst. In dit verband wordt opgemerkt dat ingevolge artikel 14, tweede lid van de Wet BIBOB een BIBOB-advies, alvorens het aan een bestuursorgaan wordt aangeboden, aan een officier van justitie wordt voorgelegd met het oog op de beoordeling of daarin gegevens zijn opgenomen waarvan het gebruik een zwaarwegend strafvorderlijk belang schaadt. Deze beoordeling wordt gedaan in het kader van strafvorderlijke belangen en hoeft geenszins tevens een beoordeling naar de betrouwbaarheid van de in politiële registers opgenomen informatie in te houden.
Gelet op het vorenstaande zijn er naar voorlopig oordeel van de rechter te veel vragen en onduidelijkheden over de inhoud en betrouwbaarheid van de in de CIE-rapportage opgenomen informatie en had verweerder deze in het BIBOB-advies opgenomen informatie niet zonder een nader onderzoek te (laten) verrichten aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen. De rechter is dan ook van oordeel dat in de stukken thans een onvoldoende basis is te vinden voor een ernstig vermoeden dat (zakenpartner 1) in de jaren 2000-2003 betrokken was bij grootschalige drugshandel en het witwassen van gelden. Verweerder zal zich bij de te nemen beslissing op het bezwaarschrift nader over de inhoud en de betrouwbaarheid van de door de CIE verstrekte informatie dienen te beraden.
LJN: BB1349, Rechtbank Roermond, 06/2173 en 07/ 284 Datum uitspraak: 25-07-2007 Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet BIBOB kan worden afgeleid dat het begrip zakelijk samenwerkingsverband in de wet is opgenomen voor de situatie waarin een natuurlijk persoon of rechtspersoon van wie geen justitiële antecedenten bekend zijn, zoals ten aanzien van eiseres het geval is, als aanvrager van een vergunning optreedt, terwijl wordt geparticipeerd in een samenwerkingsverband, de zogenaamde stroman-constructie. Uit het advies blijkt dit de tweede keer is dat een aanvraag voor vergunningen voor Stadscafé De Blauwe Trap is ingediend. De aanvrager is anders, maar de financiers zijn dezelfde, terwijl bij de eerste aanvragen de financiering niet inzichtelijk kon worden gemaakt. Bij de eerste aanvraag door de heer … deden geruchten de ronde van de betrokkenheid van [echtgenoot]. Er is toen in een anonieme brief aan de regiopolitie Limburg Noord gemeld dat [echtgenoot] de daadwerkelijke exploitant is en het café gebruikt voor het witwassen van geld. Ook heeft een portier van het café aan een verbalisant van de regiopolitie verklaard dat hij is ingehuurd door [echtgenoot]. Een brief van de regiopolitie van 3 mei 2007 bevestigt dat volgens geruchten in Venlo [echtgenoot] eigenaar van het café is. Op basis van deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en in combinatie met het feit dat eiseres en [echtgenoot] niet enkel een huwelijksrelatie hebben, maar dat zij ook een zakelijke samenwerking hebben in de Taxi Centrale [naam] ?eiseres heeft als hoofdaandeelhouder de leiding over dit taxibedrijf, maar volgens eigen schriftelijke verklaringen van eiseres, is de dagelijkse leiding in handen van [echtgenoot] en de heer Jeurissen- hebben verweerders naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden geconcludeerd dat sprake is van een samenwerkingsverband tussen eiseres en de [echtgenoot].
Daarbij houdt de echtgenoot zich al zeer geruime tijd op grote schaal bezig met de handel in verdovende middelen.Dit blijkt uit de Registers waarbij hij staat vermeld als CIE-subject. Voorts is er een FIOD-onderzoek waarin hij wordt vermeld als eigenlijk contact van (naam) met betrekking tot het opzetten van hasjtransporten. Uit het advies blijkt eveneens dat de echtgenoot een verdachte transactie op naam heeft staan van 10.000,- Engelse Ponden.
Ten aanzien van [leverancier] overweegt de rechtbank dat verweerders eveneens op goede gronden hebben geconcludeerd dat sprake is van een samenwerkingsverband, nu [leverancier] de onderneming van eiseres -evenals bij de eerdere aanvragen van Van Kranenburg- financiert. De op 11 juni 2007 door eiseres overgelegde stukken maken dit oordeel niet anders. Deze leverancier heeft twee verdachte transacties op naam staan (20.000 Duitse Marken en ? 12.000
Gelet op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet BIBOB, moet worden aangenomen dat eiseres in relatie staat tot door [echtgenoot] en [leverancier] gepleegde strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet BIBOB. Dit betekent dat de aan [echtgenoot] en [leverancier] toe te rekenen strafbare feiten door verweerder mogen worden betrokken bij zijn beslissing tot weigering van de vergunningen. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het samenwerkingsverband en de feiten en omstandigheden, is zij van oordeel dat verweerders op goede gronden hebben aangenomen dat de feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden opleveren dat [echtgenoot] en [leverancier] en daarmee dus ook -gelet op hetgeen ten aanzien van het samenwerkingsverband is overwogen- eiseres, in relatie staan tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b van artikel 3 van de Wet BIBOB en dat dit als ernstig gevaar kan worden aangemerkt.
LJN: AW3253, Rechtbank Roermond, 05/1095 + 05 / 1096 HOREC k1 Datum uitspraak: 18-04-2006
In zoverre is de rechtbank van oordeel dat het toepassingsbereik van artikel 4 van de Wet BIBOB voor het onderhavige geval een ruimere is dan de strekking van artikel 4:5 van de Awb, waarmee in de memorie van toelichting een parallel is getrokken. Voorts is de rechtbank met betrekking tot de toepassing van het bepaalde in artikel 4 van de Wet BIBOB van oordeel dat daaraan slechts toepassing gegeven dient te worden indien evident is dat een betrokkene weigert het betreffende formulier volledig in te vullen dan wel weigert aanvullende gegevens te verstrekken. Indien een inhoudelijke analyse nodig is van de wel verstrekte informatie alvorens er kan worden geconcludeerd dat er (vermoedelijk) nog gegevens ontbreken, is er naar het oordeel van de rechtbank niet evident sprake van weigering van informatieverstrekking die de grondslag kan vormen voor de sanctiemogelijkheid van artikel 4 van de Wet BIBOB. In het onderhavige geval stelt de rechtbank vast dat verweerders niet zonder meer hebben geconstateerd dat eiseres zou hebben geweigerd informatie te verstrekken. Verweerders hebben hun standpunt dat sprake is van het verzwijgen of achterhouden van informatie ?wat daar ook van zij- eerst kunnen baseren op inhoudelijke analyse en interpretatie van de door eiseres overgelegde gegevens. Bovendien heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat eiseres een weigerachtige houding kan worden verweten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij steeds ?zij het met een kritische houding- getracht de gestelde vragen te beantwoorden dan wel te verklaren waarom zij niet in staat zou zijn om bepaalde informatie te leveren.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat er onvoldoende grondslag is om in het onderhavige geval op grond van het bepaalde in artikel 4 van de Wet BIBOB te concluderen tot ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet BIBOB. Verweerders zijn van mening dat er ernstig gevaar bestaat dat de in geding zijnde vergunningen zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, kennelijk als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BIBOB.
Ingevolge het derde lid van artikel 3 van de Wet BIBOB wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van de in dat artikellid onder a tot en met d genoemde elementen. Verweerders hebben volstaan met het noemen van ?feiten en omstandigheden? die redelijkerwijs doen vermoeden dat eiseres in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd in en vanuit het cafébedrijf en samenhangen met de exploitatie van een voor publiek toegankelijk lokaal: 1. de wijze van financiering en de financiële huishouding (inkopen, lonen, huren, verkopen) van het bedrijf niet inzichtelijk is en belanghebbende deze ook niet inzichtelijk wenst te maken en/of kan maken; 2. belanghebbende een horecabedrijf exploiteert in een gebied dat al geruime tijd door drugshandel wordt beheerst; 3. het horecabedrijf fungeert als bekende ontmoetingsplaats voor drugshandelaren en ?kopers en als verwijsadres naar de boven het bedrijf gelegen (en inmiddels gesloten) appartementen; 4. belanghebbende bekend is met de grootschalige productie van verdovende middelen; 5. Een van de leidinggevenden, waarover belanghebbende zeggenschap heeft, eerder leidinggevende is geweest in horecabedrijven die door de burgemeester zijn gesloten wegens de handel in verdovende middelen en deze leidinggevende banden heeft met bekende door justitiële autoriteiten vervolgde- drugshandelaren; 6. belanghebbende draagt de huur over aan een persoon (zoon van de eigenaar van het pand), waarvan vast staat dat deze in de drugshandel actief is en waarvoor hij thans is aangehouden, en welke persoon eerder, al dan niet in samenwerking met anderen, pogingen heeft gedaan om het bedrijf te exploiteren; 7. de arbeidshistorie en financiële situatie van belanghebbende het onaannemelijk maken dat zij zelfstandig eigenaar van het horecabedrijf is. De rechtbank stelt vast dat bij deze opsomming van als feiten en omstandigheden gepresenteerde elementen, die eiseres overigens grotendeels van meet af aan heeft bestreden en in een ander daglicht heeft geplaatst, veeleer sprake is van vermoedens en interpretaties dan van feiten en omstandigheden. Eiseres heeft betoogd dat haar (gebrek aan) kwaliteiten als ondernemer, niet aangegrepen behoren te worden als omstandigheid die redelijkerwijs doet vermoeden dat zij in relatie staat tot strafbare feiten. Voorts heeft zij aangevoerd dat uit het feit dat haar ex-echtgenoot in het verleden een hennepkwekerij heeft gehad, niet kan worden afgeleid dat eiseres bekend kan worden verondersteld met de grootschalige productie van verdovende middelen. Voorts heeft eiseres gesteld dat zij er juist alles aan heeft gedaan om te bereiken dat haar cafébedrijf niet in relatie wordt gebracht met drugshandel; zo heeft zij de onder 5 bedoelde leidinggevende ontslagen en alle contacten met de onder 6 genoemde zoon van de eigenaar beëindigd. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerders weliswaar feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet BIBOB hebben genoemd, maar dat daarmee nog niet voldoende is gemotiveerd welke de mate van het gevaar is op basis van de in dat artikellid genoemde onderdelen a, b, c (in samenhang met het bepaalde in het vierde artikellid, aanhef en onder c) en d. Met eiseres is de rechtbank daarnaast ook van oordeel dat verweerders niet (voldoende) hebben gemotiveerd dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband met degene(n) die de strafbare feiten heeft of hebben gepleegd. Verweerders hebben tot slot, voor zover het betreft het toepassingskader van artikel 3 van de Wet BIBOB, weliswaar gesteld dat de intrekking van de vergunningen evenredig is met de mate van gevaar voor herhaling van de drugshandel en de ernst van de drugshandel in relatie tot het gebied waar het caf?bedrijf van eiseres is gelegen, maar die stelling niet kenbaar gemotiveerd. Daarbij is ook van belang dat de rechtbank hiervoor al heeft geconcludeerd dat verweerders de mate van het gevaar als bedoeld in het derde artikellid niet voldoende hebben vastgesteld, laat staan gemotiveerd. Als gevolg daarvan is ook niet inzichtelijk waarom een intrekking van de vergunningen daaraan evenredig zou zijn.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat verweerders bevoegheden om tot intrekking van de vergunningen over te gaan zijn ontstaan nu dit niet gebaseerd kan worden op het bepaalde in artikel 4 van de Wet BIBOB en niet (voldoende) is gemotiveerd dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 3 van de Wet BIBOB. De overige beroepsgronden van eiseres laat de rechtbank buiten beschouwing. De beroepen van eiseres dienen gegrond te worden verklaard en de besluiten van verweerders komen voor vernietiging in aanmerking.
LJN: AU0457, Rechtbank Roermond, 04/ 820 HOREC K1 Datum Uitspraak: 30-12-2004 Op 15 juli 2003 is aan eiseres een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (DHW) verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf aan de [adres] te [plaats]. Naar aanleiding van meerdere controles door handhavingscontroleurs en politie en daarbij geconstateerde diverse onregelmatigheden bij het door eiseres gedreven muziekcafé, heeft verweerder per aangetekende brief met handtekening retour van 17 november 2003 aan eiseres medegedeeld dat een onderzoek wordt ingesteld naar het al dan niet terecht verlenen van de DHW-vergunning. Hiertoe wordt de vergunning aan de Wet BIBOB getoetst. Aan eiseres is gevraagd een haar bij laatstgenoemde brief toegestuurd BIBOB-formulier in te vullen en daarbij is tevens aangegeven dat het niet correct of niet tijdig invullen van zo'n formulier aanleiding kan zijn om de verleende vergunning in te trekken. Ter toelichting was als bijlage bij genoemde brief tevens een "Voorlichtingsformulier Wet BIBOB" gevoegd. Eiseres heeft het meegestuurde formulier niet (ingevuld) geretourneerd. Daarop heeft verweerder eiseres op 19 februari 2004 nogmaals per aangetekende post met handtekeningretour een brief gestuurd, in welke brief verweerder andermaal heeft gewezen op het risico van het intrekken van de vergunning bij het weigeren van medewerking, en waarbij aan eiseres de mogelijkheid is gegeven binnen 14 dagen na dagtekening van die brief het BIBOB-formulier (dat nogmaals bij deze brief was gevoegd) in te vullen en deze te voorzien van de benodigde bijlagen. In die brief is tevens aangekondigd dat bij het uitblijven van een reactie zijdens eiseres de procedure tot intrekken van de DHW-vergunning zal worden opgestart. Ook op die brief is geen reactie van eiseres ontvangen. Bij aangetekende brief van 10 maart 2004 heeft verweerder, na wederom geen reactie van eiseres te hebben ontvangen, aangekondigd de aan eiseres verstrekte vergunning in te trekken op grond van artikel 3 en 4 van de Wet BIBOB. Eiseres heeft 14 dagen de gelegenheid gekregen haar zienswijze hierop te geven, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Eiseres heeft die aangetekende brief van 10 maart 2004 niet afgehaald.
Op basis van de zich onder de gedingstukken (procedurenummer 04 / 532 HOREC V1) bevindende rapporten, waaronder een verslag en een politie-mutatie, en de constateringen door politie en handhavingsambteraren heeft verweerder geconstateerd dat er sprake is van onregelmatigheden in het muziekcafé van eiseres. Gezien de inhoud van vorenbedoelde constateringen, waarvan eiseres de juistheid niet heeft betwist, treedt verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet buiten de grenzen van het beleid door eiseres aan een BIBOB-toets te onderwerpen.
Verder had het ook op de weg van eiseres gelegen navraag te doen naar de strekking van die brieven, indien zij deze niet begreep. Het verweer dat zij de formulieren niet invulde, omdat zij dat die niet voor haar golden omdat zij al een vergunning had worden niet door de rechtbank gevolgd.
oordeel dat het niet volledig invullen van het BIBOB-formulier moet worden opgevat als een weigering om het formulier volledig in te vullen, welke weigering wordt aangemerkt als ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet BIBOB.
Het beroep van eiseres wordt dus ongegrond verklaard.
LJN: BC2136, Raad van State, 200608213/1 Datum uitspraak: 16-01-2008
Nu de beroepsgronden inzake het ten onrechte inschakelen van het Bureau bibob en het ten onrechte niet ter beschikking stellen van een kopie van het door Bureau bibob uitgebrachte advies, geen betrekking hebben op een besluitonderdeel als hiervoor bedoeld, staat artikel 6:13 er niet aan in de weg dat deze gronden eerst in beroep worden aangevoerd. Anders dan het college stelt, bestaat dan ook geen grond het beroep op deze punten niet-ontvankelijk te verklaren.
In het advies is geconstateerd dat er feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat Biomassa in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met de activiteiten waarvoor de vergunning is gevraagd. Biomassa staat, aldus het advies, in relatie tot de strafbare feiten omdat deze zijn gepleegd door een persoon (of de door die persoon bestuurde rechtspersonen) die bij de activiteiten van Biomassa betrokken is geweest (hierna: de derde).
In het advies wordt onder meer op basis hiervan geconcludeerd dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet bibob. Het college heeft mede op grond van het advies besloten de gevraagde vergunning te weigeren.
In het advies is, aan de hand van de criteria die daarbij ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet bibob moeten worden betrokken, uiteengezet dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van deze wet. Voor zover de curator bestrijdt dat dit gevaar bestaat, overweegt de Afdeling dat de derde blijkens de stukken betrokken is bij diverse faillissementen. Volgens het advies worden er voorts onderzoeken naar de derde verricht in verband met bestuurdersaansprakelijkheid. Het advies is door de curator en de derde onvoldoende onderbouwd bestreden. Er bestaat verder geen aanleiding voor het oordeel dat het advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het college zijn beslissing daar niet op heeft mogen baseren. Voorts is in het advies vastgesteld dat zich feiten en omstandigheden voordoen die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde beschikking strafbare feiten zijn gepleegd, te weten valsheid in geschrifte en opgave van onware gegevens. Dit geeft ingevolge het zesde lid van deze wet aan het college eveneens een weigeringsgrond als bedoeld in het eerste lid. De curator en de derde hebben dit onderdeel van het advies niet bestreden. Het college heeft dan ook op goede gronden aangenomen dat de in artikel 3, eerste lid, onder b, en zesde lid, van de Wet bibob opgenomen weigeringsgronden zich voordoen.
Het college heeft de vergunning geweigerd omdat de maatschappelijke belangen die in het geding zijn, volgens hem zwaarder wegen dan het belang van Biomassa bij de oprichting van de inrichting. Gelet op het advies is er volgens het college een ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, en is aannemelijk dat verlening van de vergunning in de toekomst tot substanti?le schade bij derden kan leiden. Daarentegen zou het niet verlenen van de gevraagde vergunning volgens het college leiden tot beperkte personele consequenties, aangezien Biomassa ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, behoudens de directieleden, geen personeelsleden in dienst had. Door het beperkte inzicht in de financiering van de inrichting kon verder niet worden geconcludeerd dat de weigering van de vergunning grote financi?le consequenties voor Biomassa zou hebben.
2.7.5. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat verlening van de vergunning grote financi?le gevolgen voor derden kan hebben. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich met de in de vorige rechtsoverweging weergegeven motivering op goede gronden op het standpunt gesteld dat weigering van de vergunning evenredig is met zowel de mate van gevaar dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als met de ernst van die strafbare feiten. Voorts kan, gelet op het advies, dat in zoverre niet door de curator en de derde is bestreden, niet worden geoordeeld dat weigering van de vergunning niet evenredig is met het vermoeden dat strafbare feiten zijn gepleegd en met de ernst van die feiten. Ook anderszins bestaat geen grond voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot weigering van de vergunning.
LJN: AU6183, Rechtbank Groningen, AWB 05/1079 Datum uitspraak: 11-11-2005 Soort procedure: voorlopige voorziening
Verweerder heeft de gevraagde exploitatievergunningen voor prostitutieinrichtingen geweigerd op grond van de overweging dat verzoeker niet is ingeschreven in het handelsregister van de kamer van Koophandel en Fabrieken. Niettegenstaand de stelling van verzoeker dat hij geen ondernemer is, waardoor hij zich niet kan inschrijven in het handelsregister, is die inschrijving op grond van artikel 3.2.1, lid 2, sub f, Algemene plaatselijke Verordening Groningen 2005 (APVG) en artikel 30 Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (wet BIBOB) verplicht.
De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 4, eerste lid, wet BIBOB slechts speelt indien toepassing wordt gegeven aan artikel 30, derde lid, wet BIBOB. Dat derde lid ziet niet op aanvragen om vergunning doch op -voor zover hier thans van belang- het intrekken van vergunningen. Voor zover verweerder anderszins in artikel 4 wet BIBOB een weigeringsgrond ziet overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Art. 4:5 Awb ziet op het aanvragen van vergunningen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wet BIBOB blijkt dat de wetgever de mogelijkheid wenselijk acht verleende vergunningen in te kunnen trekken, ingeval onvoldoende informatie wordt verstrekt. Teneinde dit mogelijk te maken is artikel 4 wet BIBOB in het leven geroepen. Artikel 4 wet BIBOB kan derhalve niet als grondslag voor het bestreden besluit, dat immers niet ziet op intrekking van een vergunning, dienen.
Nu verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de aanvraag om vergunning op grond van artikel 4:5 buiten behandeling te laten mocht verzoeker, naar hij heeft gesteld, ervan uitgaan dat zijn aanvraag volkomen was en had verweerder niet meer de mogelijkheid om daarop, zoals hij nu in wezen bij het bestreden besluit heeft gedaan, terug te komen op grond van onvolledigheid van de aanvraag. De voorzieningenrechter oordeelt dienaangaand dat het bestuursorgaan, na het verlopen van de in artikel 4:5, vierde lid, Awb gestelde termijn, niet zonder meer vrij is vanwege de reden dat de aanvraag niet volledig is de gevraagde vergunning te weigeren. In dat geval zal een materieel oordeel dienen te volgen. Echter, van dit uitgangspunt kan onder omstandigheden worden afgeweken indien het de betrokkene van meet af aan duidelijk is geweest dat het verwerend orgaan de aanvraag niet volkomen achtte. Het gaat er derhalve om in hoeverre de aanvrager erop mocht vertrouwen dat zijn aanvraag volledig werd geacht. In het onderhavige geval is geen sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen dienaangaand. Van meet af aan wist verzoeker wat verweerder van hem verlangde.
Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de vorengenoemde artikelen 4 en 30 wet BIBOB niet per definitie volgt dat altijd een afschrift van de inschrijving in het Handelsregister dient te worden overgelegd. Zodanige eis kan uit de aard der zaak eerst worden gesteld indien sprake is van zodanige inschrijving. De zienswijze van verweerder volgend -dat altijd een afschrift van de inschrijving in het Handelsregister overgelegd dient te worden- zou ook betekenen dat particulieren die aanvragen om bouwvergunningen indienen zich -omwille van een BIBOB-toets- zouden moeten laten inschrijven in het Handelsregister. Dit acht de voorzieningenrechter uitgesloten.
De voorzieningenrechter komt op grond van het vorenoverwogene tot het oordeel dat het bestreden besluit de rechtmatigheidstoets niet kan doorstaan. De vraag of dat betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening voor inwilliging in aanmerking komt dient echter ontkennend te worden beantwoord. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de door verweerder gehanteerde weigeringsgronden de toets der kritiek weliswaar niet kunnen doorstaan, doch het gaat te ver vooruit te lopen op de resultaten van een mogelijk onderzoek door het Bureau BIBOB dan wel op de beoordeling van de vraag of sprake is van andere weigeringsgronden. Het verzoek om voorlopige voorziening dient derhalve te worden afgewezen.
LJN: AV7141, Rechtbank Alkmaar, GEMWT 05/3428 Datum uitspraak: 02-03-2006 Soort procedure: voorlopige voorziening
Verweerders zijn op grond van de resultaten van het naar aanleiding van hun adviesaanvraag verrichte BIBOB-onderzoek van oordeel dat de aangevraagde vergunningen moeten worden geweigerd. Verweerders hebben bevestigd dat geen andere weigeringsgrond(en) aanwezig is/zijn. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat er drie gronden zijn waarop zij de vergunningen kunnen weigeren: 1. artikel 4, tweede lid, juncto artikel 3, eerste lid van de Wet BIBOB; 2. artikel 3, zesde lid van de Wet BIBOB; 3. artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet BIBOB. De mate van het ernstige gevaar dat de aangevraagde beschikking mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen wordt is door verweerders als volgt vastgesteld. De samenhang tussen de in het advies genoemde strafbare feiten en de vergunningaanvraag bestaat hierin dat [middellijk bestuurder] en [betrokkene] de intentie hebben uitgesproken om een groot aantal horecagelegenheden in Alkmaar over te nemen en hierbij een voor Alkmaarse begrippen ongekende overname politiek te voeren waarbij in hoog tempo onderhandelingen zijn gestart met lokale ondernemers. Door het verlenen van vergunning worden [betrokkene] en zijn zakenpartners in de gelegenheid gesteld middels het toepassen van bedreiging, waarbij zij het geweld niet schuwen, horecaondernemingen over te nemen. Hierdoor zou het ondernemersklimaat in Alkmaar aanzienlijk verslechteren. Wat betreft de ernst van het vermoeden ten aanzien van bedreiging is er sprake van twee recente politiemutaties (2004 en 2005) waaruit blijkt dat [betrokkene] zich schuldig maakt aan bedreiging en dat [betrokkene 1] volgens proces-verbaal van CIE-informatie recentelijk betrokken is bij bedreiging en afpersing. De aard van de relatie tussen de aanvrager en strafbare feiten bestaat hierin dat de betrokkene in relatie staat tot de strafbare feiten omdat [betrokkene] volgens waarneming van het Bureau BIBOB feitelijk leidinggevende is van de onderneming Caf? [naam] en de onderneming financiert, [betrokkene 2] vermogen heeft verschaft en een zakelijk samenwerkingsverband heeft met [betrokkene] en [betrokkene 1] zeggenschap heeft met betrekking tot verzoekster en een zakelijk samenwerkingsverband heeft met [betrokkene 2] en [betrokkene]. Het aantal van de gepleegde strafbare feiten is als volgt toegelicht: [betrokkene] en [betrokkene 1] zijn in het verleden een keer veroordeeld inzake afpersing en bedreiging. Daarnaast is er sprake van meerdere incidenten inzake afpersing en bedreiging en deze strafbare feiten beslaan een langere periode (1982-2005) en zijn tot recent gepleegd.
Verweerders hebben verzoekster bij brief van 8 juni 2005 bericht dat BIBOB-advies is gevraagd omdat de door haar verstrekte gegevens aanleiding zijn om te vermoeden dat de beschikkingen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen. Als gevolg van de weigering om de voorzieningenrechter toestemming te geven mede op de grondslag van de stukken betreffende onder meer de aanvraag van het BIBOB-advies uitspraak te doen heeft verzoekster de voorzieningenrechter de mogelijkheid ontnomen na te gaan of op basis van de in het interne beoordelingsformulier van de gemeente Alkmaar en de adviesaanvraag aan het Bureau BIBOB vermelde feiten en omstandigheden voldoende aanleiding bestond om een BIBOB-advies te vragen. Anders dan verzoekster veronderstelt komen de gevolgen daarvan gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 september 2002 (LJN: AE7215) voor rekening van verzoekster. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het er onder deze omstandigheden voor houdt dat er op basis van de beschikbare gegevens voldoende aanleiding bestond het bureau BIBOB om advies te vragen.
Als gevolg van de geweigerde toestemming om mede op de grondslag van het BIBOB-advies uitspraak te doen heeft de voorzieningenrechter evenmin de mogelijkheid na te gaan of verweerders zich terecht op het standpunt hebben kunnen stellen dat het onderzoek naar de feiten en gedragingen zorgvuldig is totstandgekomen en dat het advies inhoudelijk concludent is, of er ernstig gevaar bestaat dat de beschikkingen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen en of weigering van de vergunningen evenredig is met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Ook de gevolgen hiervan komen voor rekening van verzoekster. De voorzieningenrechter houdt het er daarom voor dat verweerders op basis van het BIBOB-advies in redelijkheid tot hun respectievelijke weigeringen hebben kunnen komen en er derhalve geen concreet zicht op legalisering bestaat.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
LJN: AZ6847, Raad van State, 200603469/1 Datum uitspraak: 24-01-2007 In het advies is, aan de hand van alle criteria die daarbij ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet bibob moeten worden betrokken, uiteengezet dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt om uit door zowel appellante als de derde gepleegde strafbare feiten verkregen voordelen te benutten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van deze wet. In het advies is aan de hand van een uitgebreide beschrijving van de feiten in de periode rond het faillissement van de derde en de door hem bestuurde rechtspersonen en de oprichting van appellante in dezelfde periode geconcludeerd dat - kort weergegeven - er sterke aanwijzingen zijn dat een deel van de ontbrekende boedels van de gefailleerde rechtspersonen in de activa van appellante is terechtgekomen. Appellante heeft geen van de in het advies in aanmerking genomen feiten en omstandigheden bestreden. Zij heeft in de tegen het ontwerpbesluit ingebrachte bedenkingen en in het beroepschrift in feite volstaan met de stelling dat zij niet beschikt over financiële middelen van de derde. Daaraan heeft zij ter zitting toegevoegd dat haar bedrijfsactiviteiten worden gefinancierd uit een gering eigen vermogen en uit een uit nalatenschap verkregen lening. Appellante heeft deze stellingen op geen enkele wijze met nadere gegevens of stukken gestaafd. Verweerder heeft in deze niet nader onderbouwde of aannemelijk gemaakte stellingen terecht geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van het advies. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op dit onderdeel van het advies heeft mogen baseren. Verweerder heeft mogen concluderen dat de in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet bibob opgenomen weigeringsgrond zich voordoet. Het beroep is ongegrond.
LJN: AV7143, Voorzieningenrechter Rechtbank Maastricht, AWB 06/ 634 Datum uitspraak: 27-03-2006 Soort procedure: voorlopige voorziening Aan verzoeker is op 15 april 2002 een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.3.1.2, eerste lid van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Maastricht voor het exploiteren van de inrichting [X] in het pand [adres]
Verweerder heeft gedoogd dat verzoeker in deze inrichting een coffeeshop exploiteerde. Regulering van de coffeeshops in de gemeente Maastricht vindt plaats door het (al dan niet) verbinden van voorwaarden aan de op grond van de APV verstrekte horeca-exploitatievergunningen. Derhalve is sprake van een onverbrekelijke samenhang tussen het gedogen dat een inrichting als coffeeshop wordt ge?xploiteerd en de ten behoeve van die inrichting verleende horeca-exploitatievergunning.
Naar aanleiding van processen-verbaal die verweerder heeft ontvangen van de Officier van Justitie alsmede naar aanleiding van publicaties in de regionale pers, heeft verweerder op 14 oktober 2004 besloten op grond van de Wet BIBOB en de BIBOB Beleidslijn vergunningen horeca-en seksinrichtingen en smart- en growshops gemeente Maastricht voor de aan verzoeker verleende vergunning een BIBOB-intake toe te passen. Aan verzoeker is daartoe een vragenlijst toegezonden.
Verzoeker heeft deze vragenlijst ingevuld en met bijlagen ingediend. Verweerder heeft vervolgens bij schrijven van 13 december 2004 (verzonden 16 december 2004) nog een aantal nadere vragen gesteld. Nadat verzoeker ook deze vragen had beantwoord, heeft verweerder advies gevraagd aan Bureau BIBOB.
Op 10 mei 2005 heeft voornoemd bureau geadviseerd inhoudend dat verzoeker en coffeeshop meermalen onderwerp van onderzoek door de politie en de FIOD-ECD zijn geweest, waarbij grote hoeveelheden softdrugs en geld werden gevonden. Ook in Belgie zijn zij onderzoeksobject geweest. Bijna al deze strafbare feiten zijn volgens het advies gepleegd in en om coffeeshop [X] of vloeien voort uit de opbrengsten van deze zaak. Aangezien deze feiten meerdere malen zijn geconstateerd, is de kans op herhaling volgens het advies aanwezig.
Met betrekking tot de inzet van het BIBOB-instrumentarium overweegt de voorzieningenrechter dat naar zijn oordeel in het onderhavige geval geen sprake is van willekeur. In tegenstelling tot andere coffeeshops heeft de inrichting van verzoeker verweerders aandacht getrokken gelet op de processen-verbaal en de publicaties in de regionale pers. De aanwijzingen die uit de processen-verbaal naar voren kwamen waren onvoldoende om tot intrekking van de exploitatievergunning over te gaan. De zorgvuldigheid vereiste wel dat hier nader onderzoek werd gedaan. Onder deze omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen kiezen voor de inzet van het BIBOB-instrumentarium. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan ook niet gezegd worden dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu de gegevens uit de processen-verbaal en het vragenformulier met aanvulling enerzijds op zichzelf onvoldoende waren voor intrekking van de vergunning, maar anderzijds wel gerechtvaardigde aanleiding gaven tot diepgaander onderzoek.
De voorzieningenrechter voegt daar nog aan toe dat nergens is bepaald dat, indien ten onrechte advies aan Bureau BIBOB zou zijn gevraagd, de inhoud van dat advies buiten beschouwing dient te worden gelaten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan bovendien, indien uit een dergelijk advies van ernstige bezwaren blijkt, achteraf moeilijk worden volgehouden dat ten onrechte advies is gevraagd.
Op grond van de stukken in samenhang met de verklaring van de gemachtigde van verweerder ter zitting gaat de voorzieningenrechter er voorshands van uit dat het Openbaar Ministerie heeft besloten om de informatie uit de processen-verbaal in twee trajecten af te doen. Voor het bezit van de grote hoeveelheden softdrugs heeft inmiddels een veroordeling plaatsgevonden. De verdenkingen van belastingfraude en van valsheid in geschrifte worden afgehandeld door het landelijk parket. In de namens verzoeker overgelegde stukken kan geen aanknopingspunt worden gevonden voor verzoekers stelling dat voor deze feiten geen vervolging meer zal plaatsvinden. De door de gemachtigde van verzoeker overgelegde stukken zien immers enkel op de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek en geven geen specifieke informatie over het vervolgen terzake van welke verdenking(en). Derhalve kan in redelijkheid uitgegaan worden van de door de gemachtigde van verweerder verstrekte informatie inhoudende dat uit contact met het landelijk parket is gebleken dat wel degelijk het voornemen bestaat om tot vervolging van deze feiten over te gaan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder ? gelet op het bepaalde in artikel 3, derde en vierde lid van de Wet BIBOB ? heeft kunnen beslissen tot intrekking van de aan verzoeker verleende exploitatievergunning op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BIBOB.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
LJN: ZA1150, Rechtbank ’s-Gravenhage, AWB 05/4651 BESLU Datum uitspraak: 14-09-2006 Intrekking/weigering exploitatievergunning seksinrichtingen: beroep ongegrond Verweerder heeft op grond van de vastgestelde feiten in redelijkheid de aanvraag om een exploitatievergunning kunnen weigeren en de verleende exploitatievergunningen kunnen intrekken op de grond dat ernstig gevaar bestond dat deze vergunningen mede zouden worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Directeur/enig aandeelhouder van eiseres is [Persoon A]. Het Bureau BIBOB heeft in zijn advies geconcludeerd dat sprake is van ernstig gevaar dat de verleende c.q. aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Aan dit advies ligt een onderzoek van het Bureau BIBOB ten grondslag waaruit naar voren is gekomen dat een ernstig vermoeden bestaat dat zowel [Persoon A] in persoon als eiseres zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten. Onder meer is ten aanzien van eiseres door de Belastingdienst geconstateerd dat er ernstige vermoedens van overtreding van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) bestaan. Voorts is [Persoon A] aangehouden en vervolgd als verdachte op grond van medeplichtigheid aan witwaspraktijken. Op grond hiervan heeft verweerder de aangevraagde vergunning geweigerd, de verleende vergunningen ingetrokken en in vervolg daarop besloten over te gaan tot handhaving door de sluiting van de seksinrichtingen.
De rechtbank heeft kennis genomen van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 mei 2006, LJN AX4420, met betrekking tot een vergunningaanvraag voor de exploitatie van een sexinrichting in de [a-straat] 79 te Den Haag door de ouders van [Persoon A], waarbij een zakelijk samenwerkingsverband met eiseres en [Persoon A] werd aangenomen. In deze uitspraak heeft de Afdeling ten aanzien van [Persoon A] onder meer overwogen dat onder verwijzing naar een brief van de Belastingdienst Haaglanden van 18 november 2005 is aangevoerd dat inmiddels een vermoeden van overtreding van de AWR niet meer aan de orde is. De Afdeling heeft vervolgens geoordeeld dat wat er verder zij van de redelijkheid van het vermoeden van overtreding van de AWR, vast staat dat [Persoon A] ten tijde van de besluitvorming werd vervolgd en inmiddels ook is veroordeeld voor medeplichtigheid aan witwaspraktijken en dat dit gegeven, gelet op de aard van het vastgestelde samenwerkingsverband met de onderneming van haar ouders, voldoende is voor de conclusie dat een ernstig gevaar bestond dat de aangevraagde vergunning zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Op grond van deze in hoogste instantie gewezen uitspraak staat thans vast dat het feit dat [Persoon A] ten tijde van de besluitvorming werd vervolgd en inmiddels is veroordeeld voor medeplichtigheid aan witwaspraktijken, de conclusie rechtvaardigt dat een ernstig gevaar bestaat dat de door eiseres aangevraagde respectievelijk aan haar verleende vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De rechtbank voegt daaraan toe dat zij van oordeel is dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het verband als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet BIBOB tussen de verdenking van en veroordeling voor het (schuld)witwassen enerzijds en de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd anderzijds hierin is gelegen dat een vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting eiseres in staat zou stellen omzet te genereren die wordt witgewassen. Verweerder heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat witwassen geen activiteit is die specifiek is gerelateerd aan bepaalde (andere) bedrijfsactiviteiten.
De rechtbank acht de intrekking respectievelijk de weigering tot verlening van de exploitatievergunningen niet onevenredig, gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit, waarvoor [Persoon A] werd vervolgd en inmiddels is veroordeeld, afgewogen tegen de betrokken financi?le belangen van eiseres.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
LJN: AS9631, Rechtbank ’s-Gravenhage, AWB 05/601, 730,1055 en 1056 GEMWT Datum uitspraak: 10-03-2005 Soort procedure: Voorlopige voorziening Verweerders hebben gesteld dat de aanleiding voor het inwinnen van een advies van het bureau BIBOB is gelegen in het feit dat de aanvrager van de betreffende vergunningen, [aanvrager], enig bestuurder en algemeen directeur van verzoekster, tevens exploitant van [verzoekster], sinds 1994 een horecagelegenheid heeft ge?xploiteerd gelegen aan de [adres 2] te [plaats] (restaurant [restaurant]) waarmee voortdurend politiebemoeienis is geweest. [aanvrager] was bij de exploitatie van deze horecagelegenheid verantwoordelijk voor het herhaaldelijk en structureel overtreden van de regels. Daarnaast is tijdens deze exploitatie tweemaal sprake geweest van een faillissement waarbij gebruik is gemaakt van een buitenlandse rechtspersoon en ook hebben diverse wisselingen in het aandeelhouderschap plaatsgevonden. Verweerders zijn op grond van de resultaten van het BIBOB-onderzoek van oordeel dat de vergunningen moeten worden geweigerd nu ernstig gevaar bestaat dat deze besluiten mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De stelselmatige overtredingen van de bijzondere wetgeving zijn beoordeeld als een ernstig feit. Daarnaast zijn verweerders van oordeel dat het merendeel van de overige vermoedens van strafbare feiten en gedragingen die als minder of redelijk ernstig zijn gekwalificeerd een ernstige inbreuk betekenen op de rechtsorde. In combinatie met het vermoeden dat de overtredingen ook in de toekomst zullen plaatsvinden achten verweerders het weigeren van de vergunningen dan ook evenredig.
In het kader van de zienswijzeprocedure heeft verzoekster kennis kunnen nemen van de gegevens waarop de voorgenomen weigeringsbesluiten zijn gebaseerd en heeft zij de juistheid van die gegevens ter discussie kunnen stellen. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat die gegevens niet door verzoekster zijn weersproken. Evenmin is gebleken dat verweerders zich om andere redenen niet op het advies hebben kunnen baseren. De voorzieningenrechter oordeelt voorts dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het weigeren van de vergunningen in overeenstemming is met de evenredigheid van de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen de verscheidenheid en aantallen van strafbare feiten respectievelijk (minder) ernstige vermoedens, de -gelet op de relatie tussen [aanvrager], [?] Beheer N.V., [restaurant] B.V. en verzoekster- terechte toerekening van het doorgaand gedrag aan verzoekster alsmede de gegronde vrees voor herhaling. Wat dit laatste betreft staat vast dat sinds eind augustus 2004 reeds tweemaal overtredingen zijn begaan waarbij eenmaal een sluiting is opgelegd van 24 uur en eenmaal een sluiting van een week. Gelet hierop kan verzoeksters argument dat aan [verzoekster] een ander concept ten grondslag ligt dan voorheen bij [restaurant] het geval was, nog afgezien van het feit dat het in beide gevallen om een horecagelegenheid gaat, niet tot een ander oordeel leiden. Voor de door verzoekster veronderstelde opzet van verweerder 1 heeft de voorzieningenrechter in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanwijzingen gevonden.
Uit het voorgaande leidt de voorzieningenrechter de conclusie dat de besluiten tot weigering van de gevraagde vergunningen naar verwachting in de bezwarenprocedure in stand kunnen blijven.
LJN: BB4191, Rechtbank Amsterdam, AWB 07/1843 HOREC Datum uitspraak: 25-06-2007
In deze zaak gaat het om het niet tijdig nemen van een besluit op aanvraag voor exploitatievergunning en Drank- en Horecawet-vergunning in verband met een adviesaanvraag aan het Bureau Bibob. Het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen.
Indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt, wordt de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies is aangevraagd en eindigt met de dag waarop dat advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de in artikel 15, eerste en tweede lid, bedoelde termijn, vermeerderd met de duur van de eenmalige verlenging, bedoeld in artikel 15, derde lid.?.
Gesteld noch gebleken is dat de aanvragen van 6 november 2006 onvolledig waren in de zin van artikel 4:5 van de Awb. Dat het gemeentelijk Co?rdinatiebureau Bibob voor zijn taak nadere bescheiden wenste, maakt dit niet anders. Toepasselijkheid van artikel 4:15 van de Awb is derhalve niet aan de orde. Voor de exploitatievergunning geldt dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van zijn in artikel 1.5, tweede lid, van de APV-1994 neergelegde bevoegdheid.
Uit het voorgaande volgt dat verweerders op de aanvraag voor de exploitatievergunning en de DHW-vergunningen hadden dienen te beslissen uiterlijk op 2 januari 2007 respectievelijk 6 februari 2007, tenzij voor die data om advies aan het Bureau is gevraagd. Nu het Bureau n? die data om advies is gevraagd, schort die adviesaanvraag de beslistermijnen niet op daar die reeds verlopen waren. De conclusie luidt dat verweerders te laat op de aanvragen hebben beslist.
Het verzoek om voorlopige voorziening zal worden toegewezen.
LJN: AZ4507, Voorzieningenrechter Rechtbank Dordrecht, Awb 06/1167 en 06/1168 Datum uitspraak: 12-12-2006 Soort procedure: Voorlopige voorziening Weigering exploitatievergunning en DHW-vergunning voor horecagelegenheid op grond van artikel 3 van de Wet BIBOB. De door verweerder opgestelde gedragslijn om te bepalen of een BIBOB-advies zal worden aangevraagd is niet kennelijk onredelijk. Indicaties in het voortraject van de beoordeling van de aanvraag konden in dit geval het aanvragen van een BIBOB-advies rechtvaardigen. Dat sprake is van ernstig gevaar in de zin van de Wet BIBOB is in casu onvoldoende onderbouwd. De wetgever heeft benadrukt dat het besluit of gebruik wordt gemaakt van het instrumentarium van de Wet BIBOB en advies wordt gevraagd aan het Bureau, een zelfstandige en discretionaire bevoegdheid van het betrokken bestuur is. Daardoor is het bestuur in de gelegenheid om in het concrete geval de afweging te maken of de lasten van toepassing van het BIBOB-instrumentarium kunnen worden gerechtvaardigd, alsmede de inbreuk op de privacy van de betrokkene, in relatie tot de mogelijke risico's die in het concrete geval aan de orde kunnen zijn (MvT, p. 22). De wetgever heeft voorts aangegeven dat het de voorkeur verdient dat dit gebeurt op basis van beleid.
Uit het dossier blijkt dat in dit geval de volgende gang van zaken heeft plaatsgevonden. Uit het onderzoek dat binnen de formele kaders van de vergunningen is verricht, is een niet gangbare wijze van financieren van het horecabedrijf gebleken. Hierover is door verweerders (niet gedocumenteerd) contact opgenomen met verzoekers, waarna, gelet op de dossieropbouw, nadere stukken zijn overgelegd over de aankoop en financiering van het pand Toulonselaan 130. Voorts zijn er in het kader van het reguliere onderzoek twee processen-verbaal van de Politie Zuid-Holland-Zuid overgelegd. In ??n van deze processen-verbaal wordt de aanbeveling gedaan om, vanwege de veelvuldige signalering van verzoekers op een bekende drugsverhandelplaats te Dordrecht, een BIBOB-advies te laten uitbrengen. Vervolgens is intern, kennelijk aan de gemeentelijke juridische stafafdeling conform de gedragslijn, advies gevraagd over het verlenen van de gevraagde vergunningen. Deze afdeling heeft besloten om een BIBOB-advies aan te vragen, aangezien kort daarop de aanvraag is gevolgd. Tot dat besluit is kennelijk gekomen op basis van het ingevulde formulier "aanvraag-indicatoren BIBOB", dat bij het verzoekformulier tot een BIBOB-advies is gevoegd.
Voorts konden de gevonden indicaties naar het oordeel van de voorzieningenrechter het aanvragen van een BIBOB-advies rechtvaardigen, meer in het bijzonder de bij verweerders niet als gangbaar bekend staande financiering van de horecaonderneming en de twee processen-verbaal in combinatie met de aanbevelingen van de politie Zuid-Holland-Zuid en de gemeentelijke afdelingen openbare orde en veiligheid en belastingen om nader onderzoek te verrichten in de verwachting dat relevante politi?le en justiti?le gegevens zouden worden gevonden. Dat het daarbij slechts indicaties betrof, stond, gelet op de aard van het BIBOB-instrumentarium blijkens de wetsgeschiedenis, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in de weg aan het vragen van een BIBOB-advies.
In het onderhavige geval zijn door verweerders de volgende feiten en omstandigheden, waarmee het Bureau zijn vermoeden onderbouwt dat verzoekers zich schuldig maken aan strafbare feiten waaruit omvangrijke financi?le voordelen worden verkregen, aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd: 1. [ xxx] is tweemaal veroordeeld wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen (overtreden van de Wet wapens en munitie); 2. verzoekers zijn volgens recente politie-informatie opgenomen in het register zware criminaliteit: zij zouden zich bezig houden met handel in verdovende middelen, te weten harddrugs; dit zou, zo heeft het Bureau in een aanvullende reactie van 11 augustus 2006 meegedeeld, volgens de politie betrouwbare informatie betreffen; 3. verzoekers zijn in de periode 2002 tot 2005 vele malen waargenomen op een bekende drugsverhandelplaats in Dordrecht; 4. uit een melding ongebruikelijke transactie (MOT-melding) blijkt dat [xxx] in de periode v??r mei 1999 wekelijks of tweemaal per week een bedrag heeft omgewisseld van fl. 10.000,- van kleine coupures naar grote coupures; 5. [ xxx] heeft een Mercedes aangeschaft terwijl hij geen inkomsten heeft; 6. er is sprake van een gezamenlijk bezit van zes panden, waarin volgens verzoekers kamerverhuur zou plaatsvinden; van het bezit noch van de inkomsten uit kamerverhuur is aangifte gedaan bij de Belastingdienst.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de bestreden besluiten in navolging van het BIBOB-advies zijn gebaseerd op het ernstig vermoeden dat verzoekers zich bezig houden met drugshandel. Dit vermoeden wordt ontleend aan de vermelding in het register zware crimaliteit van verzoekers en op de herhaalde waarnemingen van verzoekers op een bekende drugsverhandelplaats in Dordrecht. Voorts wordt melding gemaakt van grote sommen geld, die niet op legale inkomstenbronnen zijn terug te voeren.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerders onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt waarom de vermelding in het register zware crimaliteit van verzoekers en de herhaalde waarnemingen van verzoekers op een bekende drugsverhandelplaats in Dordrecht maken dat sprake is van een ernstig vermoeden van betrokkenheid van verzoekers bij drugshandel, nu uit het BIBOB-onderzoek overigens niet is gebleken dat deze informatie heeft geleid tot enige strafrechtelijke vervolging of het starten van een gerechtelijk vooronderzoek jegens verzoekers. De veroordelingen wegens verboden wapenbezit maken dat niet anders. Ten aanzien van de grote sommen geld hebben verweerders, in navolging van het Bureau, in de eerste plaats gewezen op de MOT-melding. Van de omwisselingen van kleine coupures naar grote coupures die hebben plaatsgevonden blijkens deze melding, zijn frequentie noch periode inzichtelijk, waardoor de omvang van het betrokken bedrag onduidelijk is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze grond thans te weinig concreet om te kunnen dienen als onderbouwing van voornoemd vermoeden. Het advies is op dit punt niet inzichtelijk en verweerders hadden om die reden bedoelde melding niet aan de bestreden besluiten ten grondslag mogen leggen. Uit de bestreden besluiten volgt dat verweerders de door verzoekers gegeven verklaringen voor de aanschaf van twee personenauto's door [ xxx], ook die over de aanschaf van de Mercedes, niet onaannemelijk achten. Ook deze grond biedt naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom zonder nadere motivering te weinig houvast voor onderbouwing van het standpunt van verweerders. Uit de motivering van de bestreden besluiten maakt de voorzieningenrechter op dat verweerders het aannemelijk achten dat verzoekers op grote schaal inkomsten uit kamerverhuur genieten, zij het dat de panden en de verhuuropbrengsten niet zijn gemeld bij de Belastingdienst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in dezen niet had mogen volstaan met deze constatering. Immers, een substantieel onderdeel van de onderbouwing door het Bureau van het hier aan de orde zijnde, ernstige gevaar is dat er sprake is van een grote hoeveelheid geld waarvan de herkomst niet uit andere bronnen kan worden verklaard en dus moet worden teruggevoerd op de vermeende drugshandel van verzoekers. Verweerders hadden zich op dat punt nader met het Bureau moeten verstaan voor nader onderzoek naar de feiten met betrekking tot de inkomsten uit verhuur.
2.4.3 Geconcludeerd moet worden dat bij de voorbereiding van de bestreden besluiten in strijd met artikel 3:2 van de Awb onvoldoende onderzoek is verricht, verweerders zich in strijd met artikel 3:9 van de Awb onvoldoende hebben vergewist van de zorgvuldigheid van het onderzoek door het Bureau en voorts de bestreden besluiten in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende draagkrachtig zijn gemotiveerd.
Met betrekking tot de vraag of er aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter dat hij geen aanleiding ziet om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verzoekers worden behandeld als ware zij in het bezit van de gevraagde vergunningen. Daartoe wordt overwogen dat de gevraagde voorziening zeer ver strekkend is. Het verlenen van een vergunning is immers een discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan, hetgeen een zekere marge van beoordelingsvrijheid impliceert, terwijl op voorhand niet vaststaat dat verweerders bij de nieuw te nemen beslissingen op bezwaar de gevraagde vergunningen niet zullen kunnen weigeren. Niet kan worden gezegd dat het advies van het Bureau geen enkel aanknopingspunt biedt voor het vermoeden dat er gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare, voordelen te benutten. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of het ernstige gevaar kan worden onderbouwd met de in het advies van het Bureau aan verzoekers tegengeworpen feiten. De verzoeken om een voorlopige voorziening worden derhalve afgewezen.
LJN: BC4246, Raad van State, 200704260/1 Datum uitspraak: 13-02-2008 Bij besluit van 24 september 2005 heeft appellant (het college) (wederpartij) onder aanzegging van bestuursdwang gelast de exploitatie van een café op uiterlijk 24 september 2005 om 18.00 uur te staken. Bij uitspraak van 2 mei 2007 heeft de rechtbank Arnhem het daartegen door wederpartij ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft het college bij de Raad van State hoger beroep ingesteld.
Met betrekking tot de vraag of het college zich in bezwaar op het standpunt heeft mogen stellen dat ten tijde van het nemen van het bestuursdwangbesluit geen concreet zicht op legalisatie bestond, heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat het college het Bureau bibob advies heeft gevraagd, nog niet betekent dat geen concreet zicht op legalisatie bestond. Daartoe dient volgens de rechtbank - uitgaande van het gegeven dat er overigens geen beletselen voor de vergunningverlening waren - eveneens te worden bezien of er voor het college gerede aanleiding was om dat advies te vragen. Hetgeen het college in dat verband naar voren heeft gebracht, acht de rechtbank niet een voldoende rechtvaardiging voor het vragen van advies aan het Bureau bibob. Het besluit van 22 maart 2006 is volgens de rechtbank daarom in zoverre genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
Het college vermoedde dat het pand met uit criminele activiteiten verkregen gelden was aangepast en dat dergelijke gelden ook gebruikt zouden worden om het café te exploiteren. Het had verschillende signalen ontvangen die hierop zouden wijzen. Het vreesde voorts dat het café gebruikt zou worden voor het gebruik van en de handel in drugs, omdat de wederpartij voorheen een illegale koffieshop heeft geëxploiteerd en in die tijd is aangehouden op verdenking van verboden handel in softdrugs. Hij is daarvoor niet veroordeeld, maar de politie is hem volgens het college wel in de gaten blijven houden.
Het college heeft hierin aanleiding kunnen zien voor het doen of laten doen van nader onderzoek naar de vraag of met vergunningverlening mogelijk criminele activiteiten zouden worden gefaciliteerd. Het daartoe aan het Bureau bibob gevraagde onderzoek, dat op 24 september 2005 nog niet tot een advies had geleid, staat in de weg aan de conclusie dat het college bij voorbaat ervan moest uitgaan dat vergunning zou worden verleend, omdat een ontvankelijke aanvraag was ingediend. Het college heeft daarom terecht geconcludeerd dat er nog geen concreet uitzicht op legalisatie bestond. Daarbij zij opgemerkt dat de rechtmatigheid van de vergunningprocedure hier niet ter beoordeling staat en dat betogen gericht tegen die procedure in dit kader geen rol kunnen spelen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
LJN: AU0458, Rechtbank Roermond, 04 / 1398 HOREC en 04 / 1399 VEROR Datum uitspraak: 22-12-2004 Soort procedure: voorlopige voorziening Bij een aanvaag van 8 april 2004, ontvangen bij het college van B&W op 14 april 2004, heeft verzoeker in verband met het in dienst nemen van een viertal nieuwe leidinggevenden een nieuwe vergunningaanvraag ingediend. Deze aanvraag is aan de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet BIBOB) getoetst. Op grond van de daarbij geconstateerde bevindingen is bij de besluiten van 2 november 2004 de aangevraagde vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet geweigerd en de reeds verleende vergunning ingetrokken en is ook de aan verzoeker verleende exploitatievergunning ingetrokken.
Verweerders zijn op grond van de resultaten van het verrichte onderzoek van oordeel dat de aangevraagde vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet moet worden geweigerd, dat de op 27 augustus 2003 verleende vergunning ingevolge die wet moet worden ingetrokken en dat ook de aan verzoeker verleende exploitatievergunning ingevolge de Apv dient te worden ingetrokken. Daartoe wordt -kort samengevat- aangevoerd dat verzoeker als exploitant van een vorig caf? betrokken was bij drugshandel en -overlast, dat het door verzoeker geleende geld afkomstig zou zijn uit grootschalige handel in softdrugs en/of het verhuren van aan drugsgelateerde panden en dat verzoeker een strafbaar feit heeft begaan door het ten behoeve van de aanvraag ingevulde BIBOB-formulier niet naar waarheid in te vullen.
In het kader van de wet BIBOB moet worden vastgesteld dat verweerders op goede gronden en zonder in strijd te komen met de wettelijke voorschriften hebben geconstateerd dat is voldaan aan de voorwaarden van ernstige gevaarzetting als omschreven in artikel 3, eerste lid van de Wet BIBOB. Op grond van genoemd rapport en de daaraan ten grondslag liggende bevindingen van o.a. de regiopolitie Limburg-Noord staat vast dat in een café, waar verzoeker voorheen als exploitant bij betrokken was, drugshandel heeft plaatsgevonden. Dat daarbij mogelijk een verklaring d.d. 15 januari 2004 niet, zoals vermeld, door verzoeker maar door een derde is afgelegd, maakt dat niet anders. Voorts blijkt uit genoemde rapportages dat in het voorheen op hetzelfde adres als caf? [caf?] gevestigde caf? [oude naam] eveneens in drugs werd gehandeld. Verzoeker trad op dat moment op als beheerder van dat caf?. Voorts staat vast dat verzoeker in het door hem op 14 juli 2004 ingevulde vragenformulier in het kader van de Wet BIBOB niet heeft vermeld dat hij reeds eerder een vergunning heeft aangevraagd voor het uitoefenen van een horecabedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dat horecabedrijf is op last van de burgemeester in november 2000 voor de duur van drie maanden gesloten wegens handel in drugs. Het niet juist invullen van bedoeld vragenformulier levert een strafbaar feit op. Dat daarbij geen sprake is van een opzettelijk verzwijgen, maar van een omissie zoals van de zijde van de verzoeker betoogd, kan de rechter niet aanvaarden. Verder moet worden vastgesteld dat op grond van de gedingstukken toch op zijn minst vraagtekens gezet moeten worden bij de wijze waarop het door de geldschieter voor de start van het caf?bedrijf geleende geld is verkregen. Bedoelde geldschieter heeft blijkens bedoelde rapportage in de periode van 1992 tot en met 2002 een verleden van overtredingen van de Opiumwet, handel in softdrugs, en is verhuurder van een aantal panden in de gemeente Venlo die veelvuldig gerelateerd zijn aan drugshandel en -overlast. Dit gevoegd bij het feit dat verzoeker voor de verkregen lening geen zekerheid heeft hoeven te stellen maakt het naar het oordeel van de rechter aannemelijk dat het door verzoeker geleende geld afkomstig is uit grootschalige handel in softdrugs en/of het verhuren van aan drugsgerelateerde panden. Ook het feit dat naast verzoeker drie van de vier beoogd leidinggevenden bekend zijn met drugsgerelateerde delicten en de vierde beoogd leidinggevende, zonder vergunning, betrokken is geweest bij het beheer van een horecabedrijf dat bekend staat als een drugsgerelateerd horecabedrijf voert tot het oordeel dat het college van B&W op goede gronden kon komen tot het oordeel dat er ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen. De weigering en intrekking van de vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet getuigen naar het voorlopig oordeel van de rechter niet van uitoefening van die bevoegdheid die in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Het besluit van het college van B&W daartoe dan ook een gerede kans in een bodemprocedure in stand te blijven.
LJN:AX4420, Raad van state, 200508982/1 Datum uitspraak: 24-05-2006 Bij besluit van 23 februari 2005 heeft de burgemeester van Den Haag geweigerd aan appellant B een vergunning als bedoeld in artikel 95h, eerste lid, van de Algemene Politieverordening 's-Gravenhage te verlenen voor de exploitatie van een seksinrichting.
Appellanten exploiteren [Kamerverhuurbedrijf]. De dochter van appellanten, [dochter], is onder meer bestuurder/grootaandeelhouder van de besloten vennootschap "Onroerende Goederen Maatschappij Zierico B.V." (hierna: Zierico B.V.). Naar aanleiding van de aanvraag van [appellant B] heeft de burgemeester het Landelijk Bureau als bedoeld in artikel 8 van de Wet BIBOB (hierna: het Landelijk bureau) om advies gevraagd. In zijn advies van 13 augustus 2004 heeft het Landelijk bureau geconcludeerd dat sprake is van een ernstige mate van gevaar dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Aan dit advies ligt een onderzoek van het Landelijk bureau ten grondslag waaruit naar voren is gekomen dat een ernstig vermoeden bestaat dat [dochter] in persoon zowel als Zierico B.V. zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten. Onder meer is ten aanzien van Zierico B.V. door de Belastingdienst geconstateerd dat er ernstige vermoedens van overtreding van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: de AWR) bestaan en is [dochter] aangehouden en vervolgd als verdachte op grond van medeplichtigheid aan witwaspraktijken. Gelet op de aard van het tussen appellanten en de ondernemingen van hun dochter bestaande zakelijke samenwerkingsverband en het soort strafbare feiten heeft de burgemeester zich - in navolging van het advies van het Landelijk bureau BIBOB - op het standpunt gesteld dat er ernstig gevaar bestaat dat de door appellanten aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Op grond hiervan heeft de burgemeester de vergunning voor de exploitatie van een seksinrichting geweigerd.
Anders dan appellanten betogen heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de burgemeester op goede gronden heeft aangenomen dat tussen [kamerverhuurbedrijf] en Zierico B.V., een zakelijk samenwerkingsverband bestaat, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet BIBOB. Daarbij heeft de burgemeester er allereerst terecht op gewezen dat in de familierelatie - ouders en dochter - en het feit dat zij allen in dezelfde branche werkzaam zijn - de raamprostitutie -, al aanwijzingen zijn gelegen voor een mogelijk samenwerkingsverband. Voorts blijkt uit zowel de jaarcijfers van [kamerverhuurbedrijf] als die van Zierico B.V. dat onder de noemer 'groepsmaatschappijen' tussen even bedoelde bedrijven een rekeningcourant verhouding bestond op grond waarvan over en weer geld beschikbaar kon worden gesteld voor aankopen van onroerend goed en betalingen door de ene onderneming konden worden gedaan ten behoeve van de andere. Tevens is door Zierico B.V. een lening aan [kamerverhuurbedrijf] verstrekt. Daarnaast heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de burgemeester terecht van doorslaggevend belang heeft geacht dat appellanten in de periode van 2001 tot 2004 een aantal raamprostitutiepanden feitelijk hebben geëxploiteerd, terwijl daarvoor een exploitatievergunning was verleend aan Zierico B.V. Deze vergunning was bewust aan Zierico B.V. verleend en niet aan appellanten, van wie een aanvraag met betrekking tot dezelfde panden door de burgemeester na negatief advies van de politie Haaglanden was afgewezen. De hiertegen gerichte betogen van appellanten falen.
Voorts bestrijden appellanten het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Daartoe is onder verwijzing naar een brief van de Belastingdienst Haaglanden van 18 november 2005 aangevoerd dat inmiddels een vermoeden van overtreding van de AWR door Zierico B.V. niet meer aan de orde is.
Ten aanzien van deze brief heeft de burgemeester ter zitting terecht gesteld hiermee bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening te hebben kunnen houden. Overigens kan deze brief wel worden betrokken bij het onderzoek in verband met een nieuwe aanvraag van appellanten, aldus de burgemeester. Wat er verder zij van de redelijkheid van het vermoeden van overtreding van de AWR, vast staat dat [dochter] ten tijde van de onderhavige besluitvorming werd vervolgd en inmiddels ook is veroordeeld voor medeplichtigheid aan witwaspraktijken. Dit gegeven is, gelet ook op de aard van het zakelijk samenwerkingsverband, voldoende voor de conclusie dat een ernstig gevaar bestond dat de door appellanten aangevraagde vergunning mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
LJN: AZ2786, Raad van State, 200602949/1 Datum uitspraak: 22-11-2006 Bij besluit van 8 april 2005 heeft de burgemeester van Den Haag een aanvraag van appellant om vergunning voor het exploiteren van een recreatie-inrichting in het pand geweigerd. Bij uitspraak van 3 maart 2006 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft een vergunning aangevraagd voor het exploiteren van een partycentrum in het pand [locatie 1] te [plaats], dat hij vanaf 1 juni 2003 voor een periode van vijf jaar huurt. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de burgemeester het Landelijk Bureau als bedoeld in artikel 8 van de Wet BIBOB (hierna: het Landelijk bureau) om advies gevraagd. In het advies van 2 december 2004 heeft het Landelijk bureau geconcludeerd dat een ernstige mate van gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen. Aan dit advies ligt een onderzoek van het Landelijk bureau ten grondslag waaruit onder meer naar voren is gekomen dat appellant is veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, dan wel ernstige vermoedens bestaan dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. In de aangevallen uitspraak is een opsomming gegeven van de feiten en vermoedens zoals deze uit het onderzoek naar voren zijn gekomen en waarop de burgemeester zich heeft gebaseerd. Zo is appellant onder meer meermalen veroordeeld ter zake van het verschaffen van werk aan illegale vreemdelingen in zijn bakkerijen. Voorts heeft de politie in drie panden die onder verantwoordelijkheid van appellant, dan wel van zijn broer, vallen de aanwezigheid van werkende illegale vreemdelingen geconstateerd, in vier panden die onder verantwoordelijkheid van appellant en zijn broer vallen de aanwezigheid van illegale vreemdelingen aan wie onderdak is verschaft, is er verder een melding dat illegale Bulgaren het pand [locatie 1] veelvuldig bezoeken en zijn er problemen geconstateerd met betrekking tot de veiligheid in door appellant verhuurde panden. Gelet hierop heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. In het door de burgemeester overgenomen advies van het Landelijk Bureau zijn de feiten met betrekking tot het verschaffen van werk en onderdak aan illegale vreemdelingen op zichzelf zonder meer als ernstig gekwalificeerd. De overige feiten en vermoedens zijn afzonderlijk niet, maar bij elkaar genomen wel als een grote inbreuk op de rechtsorde aangemerkt. De burgemeester heeft in dit verband gewezen op de op 22 april 2003 vastgestelde en op 1 augustus 2003 in werking getreden BIBOB-beleidslijn en strategisch kader, waarin is aangegeven dat in het bijzonder aandacht wordt besteed aan malafide infrastructuren rond illegale vreemdelingen, waarvan een stringente aanpak wordt voorgestaan. Overbewoning van panden als gevolg van het huisvesten van illegale vreemdelingen, het tewerkstellen en uitbuiten van illegale vreemdelingen, alsmede het creëren of laten voortbestaan van brandgevaarlijke situaties in deze panden worden door de burgemeester als ernstige feiten gekwalificeerd. Om vorenomschreven redenen heeft de burgemeester de aanvraag voor een exploitatievergunning geweigerd. De rechtbank heeft het standpunt van de burgemeester dat ernstig gevaar bestaat dat aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, onderschreven en het bij haar bestreden besluit in stand gelaten.
De rechtbank heeft met juistheid onder het aanhalen van de wetsgeschiedenis overwogen dat artikel 6, tweede lid, EVRM alleen geldt voor strafrechtelijke of daarmee vergelijkbare procedures en dat het BIBOB-instrumentarium buiten dat kader valt, alleen al om de reden dat het BIBOB-advies en de mede daarop te gronden beslissing van het betrokken overheidsorgaan er niet toe strekken de schuld van iemand aan een strafbaar feit vast te stellen. Volgens de maatstaven die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft ontwikkeld ter bepaling of sprake is van een 'criminal charge' in de zin van artikel 6 EVRM moeten bij de beoordeling in aanmerking worden genomen de aard van de overtreden norm, de kring van degenen tot wie die norm gericht is en het doel, de aard en de ernst van de sanctie die met de overtreding wordt geriskeerd. Voorts is van betekenis of de handhaving van de overtreden norm naar nationaal recht als strafrechtelijk is aangemerkt. De toepassing van de in artikel 3 van de Wet BIBOB neergelegde weigeringsgrond heeft tot doel te voorkomen dat overheidsorganen onbewust en ongewild door vergunningen te verlenen, subsidie te geven of een overheidsopdracht te gunnen, criminele activiteiten faciliteren. De weigering heeft niet als strekking leed toe te voegen om langs die weg normconform gedrag te bewerkstelligen. Derhalve is geen sprake van een punitieve sanctie. Dat de weigering van de vergunning wel door appellant als zodanig wordt ervaren, doet hieraan niet af. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat van een criminal charge als vorenbedoeld geen sprake is en dat de onschuldpresumptie in dit geschil geen rol speelt.
De burgemeester heeft bij de toepassing van artikel 3 van de Wet BIBOB een eigen, bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid, die los staat van de verantwoordelijkheid van de met strafvervolging en strafoplegging belaste organen. Nu geen sprake is van bestraffing, doch van een bestuurlijke maatregel ter voorkoming van het faciliteren van criminele activiteiten door bestuursorganen en de bescherming van de goede naam van de bedrijfstak, is van schending van het ne-bis-in-idem beginsel evenmin sprake.
Verder staat vast dat appellant meermalen veroordeeld is voor illegale werkverschaffing in zijn bakkerijen, dat er meerdere veroordelingen en transacties op zijn naam staan voor hygiënegerelateerde strafbare feiten, alsmede een veroordeling voor het zich op illegale wijze ontdoen van afvalstoffen. Anders dan appellant betoogt liggen deze veroordelingen niet in een zodanig ver verleden dat deze niet meer bij de onderhavige beoordeling hadden mogen worden betrokken. De burgemeester heeft voorts de uit de politiemutaties naar voren gekomen vermoedens van het verschaffen van onderdak aan illegale vreemdelingen bij de beoordeling mogen betrekken. Op de gronden, zoals in de aangevallen uitspraak opgenomen, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het betoog van appellant dat niet hij, maar zijn huurders daarvoor verantwoordelijk moeten worden gehouden, niet slaagt. Aldus heeft de burgemeester kunnen aannemen dat in dit geval sprake is van het herhaaldelijk over een reeks van jaren plegen van strafbare feiten, dan wel vermoedens daartoe. Gelet hierop en op het feit dat de inzet van het beleid in het bijzonder is gericht op de aanpak van malafide infrastucturen met betrekking tot illegale vreemdelingen heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester het verschaffen van werk en het bieden van onderdak aan illegale vreemdelingen als ernstige strafbare feiten heeft kunnen aanmerken.
Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geconstateerde strafbare feiten zijn gepleegd bij activiteiten die samenhangen met activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd. Zo worden door appellant, naast de partyruimten, ook catering- en schoonmaakdiensten aangeboden. Het is niet aannemelijk dat appellant bij de exploitatie van het partycentrum geen personeel inzet. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid de gevraagde vergunning heeft kunnen weigeren.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard.
LJN: AT2983, Rechtbank ’s-Gravenhage, AWB 04/5373 BESLU Datum uitspraak: 21-03-2005 Soort procedure: voorlopige voorziening
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het weigeren, c.q. intrekken van de vergunningen in overeenstemming is met de evenredigheid van de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat verzoekster de feiten waarvan verweerder in de bestreden besluiten is uitgegaan niet heeft weerlegd en dat uit het BIBOB-advies naar voren is gekomen dat de feiten en vermoedens uit verschillende bronnen afkomstig zijn en in onderlinge samenhang bezien de conclusie aannemelijk maken dat sprake is van een vermoeden van witwassen zodat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De in het BIBOB-advies opgenomen feiten en omstandigheden zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, alles bijeengenomen en in onderling verband beschouwd, zodanig dat zij de eindconclusie van het advies kunnen dragen.
De voorzieningenrechter concludeert tot afwijzing van de verzoeken.
LJN: AZ5492, Raad van State, 200606185/1 Datum uitspraak: 03-01-2007 De voorzieningenrechter heeft overwogen dat ten aanzien van openings- en werktijden, personeel, organisatievorm en financiering van de inrichting de verschafte informatie is aangepast naar aanleiding van de gestelde vragen, dat hiervoor slechts ten dele een plausibele verklaring is gegeven doch dat nergens blijkt dat [wederpartij] de intentie had een onjuiste voorstelling van zaken te geven en dat het enkele feit dat [wederpartij] naar aanleiding van vragen informatie heeft aangepast, nog niet een redelijk vermoeden van het hebben gepleegd van een strafbaar feit oplevert als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet BIBOB.
Het college heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Het stelt dat het advies van het Landelijk Bureau deugdelijk is en dat de daarin geconstateerde feiten en omstandigheden voldoende grond opleveren om een redelijk vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde beschikking valsheid in geschrifte is gepleegd, aan te nemen.
Vast staat dat de wederpartij in het kader van het onderzoek naar de door hem ingediende aanvraag van de vergunning meerdere malen de openingstijden van de inrichting heeft gewijzigd, over de financiering van de inrichtingen uiteenlopende informatie heeft verstrekt en twee, elkaar in tijd opvolgende, inschrijvingen in de Kamer van Koophandel heeft ingezonden. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb het advies van het Landelijk Bureau ingezien en kennis genomen van de inhoud van de informatie die door de wederpartij is gegeven en de door wederpartij gegeven verklaringen daarvoor. Zij is met de rechtbank van oordeel dat [wederpartij] voor de gang van zaken rond de inschrijving van de vennootschap onder firma in het register van de Kamer van Koophandel een niet onaannemelijke verklaring heeft gegeven. Voorts deelt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat [wederpartij] in de loop van de procedure de beoogde openings- en werktijden heeft aangepast aan de realiteit dan wel het haalbare, gelet op de vereiste aanwezigheid van een leidinggevende. Voor het overige bieden de feiten en omstandigheden zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende grond om redelijkerwijs te vermoeden dat de wederpartij heeft gehandeld met het oogmerk om een onjuiste voorstelling van zaken te geven.
De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de beslissing op bezwaar wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb dient te worden vernietigd.
Het hoger beroep is ongegrond.
LJN: AX5855, Voorzieningenrechter Rechtbank Amsterdam, AWB 06/1525 HOREC en AWB 06/1598 HOREC Datum uitspraak: 01-05-2006 De rechter stelt in de eerste plaats vast, dat het Advies uitgaat van onder meer een redelijk ernstig vermoeden omtrent door [naam oprichter] gepleegde strafbare feiten als witwassen en drugshandel en een ernstig vermoeden omtrent door mw. [naam] gepleegde strafbare feiten op grond van de Opiumwet. De rechter ziet in de door het Bureau aangedragen informatie niet een onvoldoende grondslag voor deze conclusies, terwijl deze evenmin innerlijk inconsistent zijn. Het bezwaar van verzoekster dat de analyse van | |