Artikel 3
1. Voorzover bestuursorganen bij of
krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren
een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking
intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden
gebruikt om:
a. uit
gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare
voordelen te benutten, of
b. strafbare
feiten te plegen.
2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld
in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar
vastgesteld op basis van:
a. feiten
en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de
betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a,
b. ingeval
van vermoeden de ernst daarvan,
c. de
aard van de relatie en
d. de
grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
3. Voorzover het ernstig gevaar als
bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van
het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten
en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de
betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij
activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de
beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
b. ingeval
van vermoeden de ernst daarvan,
c. de
aard van de relatie en
d. het
aantal van de gepleegde strafbare feiten.
4. De betrokkene staat in relatie tot
strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:
a. hij
deze strafbare feiten zelf heeft begaan,
b. hij
direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft
dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een
rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze
strafbare feiten heeft begaan, of
c. een
ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect
leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad
over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een
zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.
5. De weigering dan wel intrekking,
bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de
mate van het gevaar en
b. voorzover
het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de
ernst van de strafbare feiten.
6. Eenzelfde bevoegdheid tot
weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben
bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs
doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven
beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking
vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van
vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.
7. Voorzover blijkt dat geen sprake
is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij
mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze
voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.
Artikel 4
1. Indien toepassing wordt gegeven
aan artikel 30, derde lid, wordt de weigering van de betrokkene, niet zijnde de
partij aan wie een overheidsopdracht is gegund of de onderaannemer, om een
formulier als bedoeld in artikel 30, eerste lid, volledig in te vullen,
aangemerkt als ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing, indien de betrokkene, niet zijnde de gegadigde, de
partij aan wie een overheidsopdracht is gegund of de onderaannemer, weigert
aanvullende gegevens te verschaffen in het geval, bedoeld in artikel 12, derde
lid.